Gletsjer is een groot lichaam van ijs en sneeuw. Hij ontstaat doordat de sneeuw in een gebied niet allemaal smelt in de zomer. Elke winter komt er meer sneeuw bij. Door het gewicht van al die sneeuw ontstaat er druk. Deze druk verandert de onderste delen van de sneeuw in ijs: korrels worden fijner en verglazen tot hard, blauwachtig gletsjerijs. Tussen vers gevallen sneeuw en gletsjerijs zit vaak een tussenstadium dat men firn noemt. Als dit proces vele jaren doorgaat, kan de ijsmassa groot en dik worden. Hij wordt zo zwaar dat de zwaartekracht het ijs doet bewegen. Het stroomt naar beneden als water, maar heel langzaam. Een gletsjer verplaatst zich vaak met snelheden die variëren van enkele centimeters per jaar tot tientallen of zelfs honderden meters per jaar; uitzonderlijk kunnen sommige gletsjers tijdens zogeheten surges veel sneller schuiven. Nieuwe sneeuwval vult de delen aan die wegstromen en bepaalt zo de massa- en waterbalans van een gletsjer.
Ontstaan en opbouw
Een gletsjer begint op plaatsen waar de jaarlijkse sneeuwval groter is dan de jaarlijkse afsmelting en sublimering. Door opeenhoping en voortdurende druk worden de onderste lagen samengeperst en rekristalliseren de sneeuwkorrels. Na tientallen tot honderden jaren ontstaat er compact gletsjerijs. Belangrijke factoren bij het ontstaan zijn het klimaat (temperatuur en neerslag), de ligging (hoogte en oriëntatie) en de ondergrond. Zelfs in warme streken kunnen op grote hoogte gletsjers ontstaan als de kou en sneeuwval voldoende zijn.
Beweging en werking
Gletsjerbeweging vindt vooral plaats door twee mechanismen: interne vervorming (kruipen van ijskristallen onder druk) en basal sliding (glijden van het ijs over de onderliggende bodem, vaak geholpen door smeltwater). De bovenste lagen van een gletsjer zijn vaak stijf en breken in seracs en scheuren (crevasses), terwijl het diepe ijs plastisch vloeit. Gletsjers eroderen het landschap door het meevoeren van stenen en sediment; ze schuren rotsen glad en laten kenmerken achter zoals U-vallen, fjorden, morenen, drumlins en eskers. Deze erosie en sedimentatie vormen belangrijke landschapselementen in berggebieden en in voorbije ijstijden ook op continentaal niveau.
Typen gletsjers
- Alpine- of dalgletsjers: gletsjers die in bergdalen stromen.
- Cirque- of komgletsjers: kleine gletsjers in bovenste bergbekkens.
- Piedmontgletsjers: ontstaan wanneer een dalgletsjer uitloopt op een vlakte en zich spreidt.
- Landijs of ijskappen: zeer grote, dikke ijsmassa's die grote delen van continenten bedekken, zoals in Groenland en Antarctica.
Gletsjers als zoetwatervoorraad
Gletsjers vormen één van de grootste natuurlijke reservoirs van zoetwater op aarde. Vooral de grote ijskappen op Groenland en Antarctica bevatten enorme hoeveelheden vers water; ook berggletsjers slaan waardevol zoet water op dat in droge seizoenen kan afstromen en rivieren voedt. Veel rivieren en dorpen in berggebieden zijn voor een deel afhankelijk van gletsjermeltwater voor irrigatie, drinkwater en waterkracht. Gletsjers leveren dus een belangrijke, vaak seizoensgebonden bron van zoet water. De grootste zoutwaterlichamen zijn de Oceanen, maar het grootste deel van het zoete water van de aarde is opgeslagen in ijs en sneeuw op land.
Gevolgen van veranderingen en bedreigingen
Gletsjers reageren sterk op klimaatveranderingen. Bij langdurige opwarming trekken veel gletsjers zich terug (retreat), wat gevolgen heeft voor de beschikbaarheid van smeltwater, het risico op glacial lake outburst floods (GLOF's) en de stabiliteit van berghellingen. Smeltend landijs draagt bij aan de wereldwijde zeespiegelstijging. Verlies van gletsjerijs verandert ook lokale ecosystemen, vermindert de wateropslag en kan economische gevolgen hebben voor gemeenschappen die van dat water afhankelijk zijn. Daarnaast beïnvloeden gletsjers het albedo (reflectievermogen) van een gebied: minder ijs betekent dat meer zonlicht wordt opgenomen door donkere ondergronden, wat verdere opwarming kan versnellen.
Belang voor natuur en mens
Gletsjers zijn belangrijke indicatoren van klimaatverandering en worden wereldwijd onderzocht. Ze bepalen landschappen en riviersystemen, vormen habitats voor speciaal aangepaste flora en fauna en leveren economisch waardevolle diensten (water, toerisme, hydropower). Tegelijk brengen ze gevaren met zich mee (lawines, GLOF's, veranderende waterbalans) die goed beheer en monitoring vereisen.
Samengevat: een gletsjer ontstaat door opeenhoping en compressie van sneeuw, beweegt onder invloed van zwaartekracht en interne processen, vormt en verandert landschappen, en fungeert als een cruciale opslagplaats van zoetwater — maar is kwetsbaar voor klimaatverandering en menselijke druk.



