Mevrouw Chippy, een tijgergestreepte tabby, behoorde toe aan Harry McNish, de timmerman. Harry kreeg de bijnaam "Chippy" vanwege "houtsnippers", dus werd de kat ook zo genoemd. Kort nadat het schip koers zette naar Antarctica, werd ontdekt dat, ondanks "haar" naam, mevrouw Chippy een "hij" was, een kater. Tegen die tijd was de naam blijven hangen. De kat verbaasde de bemanning door in staat te zijn langs de duimbrede relingen van het schip te lopen, zelfs in de ruigste zeeën.
Nadat het schip door het ijs was verwoest, wisten de bemanningsleiders dat mevrouw Chippy en vijf van de honden het niet zouden overleven, en op 29 oktober 1915 schreef Sir Shackleton in zijn dagboek:
Vanmiddag moeten Sallie's drie jongste pups, Sue's Sirius, en Mrs. Chippy, de kat van de timmerman, geschoten worden. We konden onder de nieuwe omstandigheden het onderhoud van de zwakkelingen niet op ons nemen. Alexander Macklin, Tom Crean en de timmerman leken het verlies van hun vrienden nogal zwaar te voelen.
Harry McNish was erg gesteld geraakt op zijn kat, en heeft Shackleton nooit vergeven dat hij hem had laten doodschieten. Na het verlies van zijn kat, vocht Harry met Shackleton tijdens de expeditie die duurde tot 1917. Hoewel hij de boten bouwde die uiteindelijk de bemanning redden, kreeg hij geen Polar Medal, vanwege zijn ruzie met de kapitein over de dood van zijn kat.