N-11 (Next Eleven): elf opkomende economieën volgens Goldman Sachs
Ontdek de N-11: elf opkomende economieën volgens Goldman Sachs — sleutelmarkten, investeringskansen en groeivooruitzichten voor de 21e eeuw.
De Next Eleven (of N-11) zijn elf landen - Bangladesh, Egypte, Indonesië, Iran, Mexico, Nigeria, Pakistan, de Filipijnen, Zuid-Korea, Turkije en Vietnam - die volgens investeringsbank Goldman Sachs in de 21e eeuw samen met de BRICS waarschijnlijk tot de grootste economieën ter wereld zullen gaan behoren. De bank koos deze staten op 12 december 2005 omdat het goede plaatsen zijn om geld te investeren, en ze waarschijnlijk binnenkort een stuk rijker zullen worden.
Achtergrond en doel
De term "Next Eleven" werd geïntroduceerd door econoom Jim O'Neill van Goldman Sachs om een groep landen aan te duiden die, naast de eerder gepropageerde BRICS, het potentieel hadden uit te groeien tot belangrijke spelers in de wereldeconomie. Het doel was beleggers en beleidsmakers te wijzen op markten met sterke groeivooruitzichten vanwege hun bevolking, marktomvang en economische fundamenten.
Waarom deze landen?
- Grote en jonge bevolking: veel N-11-landen hebben een grote binnenlandse markt en relatief jonge beroepsbevolking, wat een bron van arbeidskracht en consumptie kan zijn.
- Demografische en structurele factoren: verwachte groei van de middenklasse, urbanisatie en stijgende onderwijsniveaus.
- Macro-economische vooruitzichten: goede groeipotentie door investeringen, relatief hoge spaar- en investeringspercentages in sommige gevallen en natuurlijke hulpbronnen of strategische ligging.
- Openheid voor handel en buitenlandse directe investeringen (FDI): veel landen trokken fabrieken en exportgerichte industrieën aan.
Ontwikkeling sinds 2005 — algemene trends
Sommige N-11-landen hebben hun economische positie zichtbaar versterkt: Indonesië, Mexico en Vietnam zijn uitgegroeid tot belangrijke productie- en exporthubs; Vietnam werd een aantrekkelijk alternatief voor arbeidsintensieve productie; Bangladesh kende sterke groei in de textiel- en confectiesector; en de Filipijnen en Indiaanse buurlanden profiteerden van dienstenexport en BPO. Andere landen worstelden met politieke instabiliteit, economische schokken, sancties of afhankelijkheid van grondstoffen (bijvoorbeeld Iran en Nigeria), waardoor het groeipad onregelmatig verliep. Zuid-Korea was en is al een geavanceerde economie, wat sommige critici als een zwakke plek in de classificatie zagen.
Korte notities per land (kernpunten)
- Bangladesh: sterke groei dankzij textielexporten en gunstige demografie; aanzienlijke armoedevermindering maar uitdagingen in infrastructuur en arbeidsomstandigheden.
- Egypte: strategische ligging en grote binnenlandse markt; economisch herstel wisselend door politieke en veiligheidsrisico's en structurele hervormingen.
- Indonesië: grootste economie van Zuidoost-Azië met grote binnenlandse consumptie en grondstoffen; hervormingen en infrastructuurinvesteringen ondersteunen groei.
- Iran: groot potentieel door natuurlijke hulpbronnen en industriële basis, maar economisch geremd door internationale sancties en geopolitieke spanningen.
- Mexico: sterk verweven met de Amerikaanse economie (handel en toeleveringsketens); structurele hervormingen en ongelijkheid blijven aandachtspunten.
- Nigeria: grootste economie in Afrika qua bevolking en potentieel, sterk afhankelijk van olie — diversificatie en governance blijven cruciaal.
- Pakistan: grote bevolking en strategische ligging, maar politieke instabiliteit, schuldenlast en veiligheid blijven remmend werken.
- Filipijnen: dynamische dienstenexport (BPO) en remittances; infrastructuur en arbeidsmarktvragen zijn aandachtspunten.
- Zuid-Korea: al een hoogontwikkelde economie met sterke industrie- en technologiesectoren; de classificatie als "opkomend" was en is onderwerp van discussie.
- Turkije: industriële basis en geografische positie tussen Europa en Azië; kampt met macro-economische volatiliteit en politieke onzekerheid.
- Vietnam: snelle exportgerichte industrialisatie, sterke aantrekkingskracht voor FDI en stijgende integratie in mondiale productieketens.
Kritiek en beperkingen van het concept
- Te brede generalisatie: landen verschillen sterk in instituties, governance en risicoprofiel, waardoor groepslabels de individuele risico's kunnen maskeren.
- Focus op bruto-groei: veel voorspellingen waren op totale GDP-groei gericht en hielden minder rekening met inkomen per hoofd, ongelijkheid en menselijke ontwikkelingsindicatoren.
- Vooringenomenheid en timing: inclusion van een al ontwikkelde economie (Zuid-Korea) en onzekerheid over de snelheid waarmee structurele hervormingen worden doorgevoerd.
- Geopolitieke en klimaatrisico's: politieke spanningen, sancties, klimaatverandering en grondstoffenvolatiliteit kunnen vooruitzichten snel veranderen.
Relevantie vandaag
Het label N-11 blijft nuttig als hulpmiddel om aandacht te vestigen op landen met potentieel voor sterke groei en investeringskansen. Tegelijk is het geen garantie: beleggers en beleidsmakers moeten per land kijken naar macrofundamentals, governance, schuldenpositie, sociale indicatoren en milieu-uitdagingen. De wereldwijde economie en geopolitieke verhoudingen zijn sinds 2005 veranderd, waardoor sommige N-11 sneller vooruitgingen dan andere — en sommige problemen die destijds minder zichtbaar waren zijn nu centrale aandachtspunten.
Samengevat: de Next Eleven markeren belangrijke groeikandidaten, maar succes is heterogeen en afhankelijk van hervormingen, investeringen en de manier waarop landen omgaan met interne en externe risico's.

N-11 naties in het rood. Van links: Mexico, Nigeria, Egypte, Turkije, Iran, Pakistan, Bangladesh, Indonesië, Vietnam, Zuid-Korea, Filippijnen
Zoek in de encyclopedie