De methode om kaarten te maken is al meer dan een eeuw dezelfde. Kaarten zijn twee dunne stukjes papier die met zwart plaksel aan elkaar zijn geplakt. Beide buitenzijden zijn bedrukt. De binnenkant is het ontwerp van de voorkant van de kaart, de buitenkant is het ontwerp van het pak als geheel. De zwarte pasta is essentieel om te voorkomen dat het gezicht zichtbaar wordt wanneer het licht op de voorkant schijnt. Het gebruik van de pasta is de reden waarom kaarten soms "pasteborden" worden genoemd.
Eén of twee pakjes tegelijk worden op grote vellen papier gedrukt, die al geplakt zijn. De individuele kaarten worden uitgestanst door een machine die werkt als een koekjessnijder. Deze snijdt 36.000 kaarten per uur. Een fractie van een seconde later zijn de randen van de kaarten extra dun geplet. Dit is met het blote oog niet te zien, maar het effect is dat de kaarten tijdens het schudden gemakkelijk langs elkaar glijden.
Gedrukte papieren kaarten hebben ongeveer 97,5% van de wereldmarkt in handen. Plastic kaarten bestaan wel: ze werden voor het eerst uitgevonden in de jaren dertig. Ze gaan langer mee dan papieren kaarten, maar hebben slechts 2,5% van de markt in handen.