Het Korte Parlement in de Engelse geschiedenis duurde van 13 april tot 5 mei 1640. Het wordt "kort" genoemd omdat het maar drie weken duurde.
Achtergrond
Het bijeenroepen van het Korte Parlement was het directe gevolg van de financiële en militaire problemen van koning Karel I. Sinds 1629 had hij grotendeels zonder parlement geregeerd tijdens de zogenaamde persoonlijke regering, maar de verliezen in de Bisschoppenoorlogen (de conflictsituatie met Schotland over religieuze hervormingen) dwongen hem in april 1640 opnieuw naar het parlement te grijpen om geld aan te vragen voor het voeren van oorlog.
Verloop
In plaats van meteen de gevraagde subsidies toe te kennen, maakten veel leden van het House of Commons hun komst afhankelijk van behandeling van hun klachten over het koninklijk bestuur: willekeurige belastingen zoals ship money, rechtszaken in de Star Chamber, en de invloed van hooggeplaatste figuren als aartsbisschop William Laud en Thomas Wentworth (later graaf van Strafford). Parlementaire leiders zoals John Pym stelden dat eerst deze misstanden moesten worden aangepakt voordat men nieuwe subsidies zou verlenen. Karel weigerde hier in toe te geven en ontbond het parlement uiteindelijk op 5 mei 1640.
Gevolgen en betekenis
De ontbinding leidde ertoe dat Karel zonder de benodigde middelen bleef om de Schotse opstand effectief te bestrijden. Later dat jaar leden de Koninklijke troepen een nederlaag bij Newburn; dit culmineerde in de nadelige Vrede van Ripon (oktober 1640), waarbij Karel de Schotten moest betalen en genoodzaakt werd opnieuw het parlement bijeen te roepen. Dat leidde tot het veel langere en veel ingrijpendere Lang Parlement dat in november 1640 samenkwam en uiteindelijk de weg vrijmaakte voor de constitutionele crisis en de Engelse Burgeroorlog.
Kort samengevat: het Korte Parlement duurde weliswaar maar drie weken, maar zijn houding tegenover de koning maakte het een belangrijk keerpunt in de aanloop naar grotere politieke en religieuze hervormingen in Engeland.