De Sonate voor twee piano's en slagwerk is een muzikale compositie van de Hongaarse componist Béla Bartók. Het is geschreven voor een zeer ongewone combinatie van spelers. Voor de uitvoering van deze sonate zijn vier spelers nodig: twee pianisten en twee slagwerkers. De twee pianisten hebben elk een piano, en de twee slagwerkers bespelen samen zeven instrumenten: drie pauken, xylofoon, een zijtrommel met strikken en een zonder, een hangend bekken, een paar bekkens, een basdrum, een driehoek en een tamtam.
In de inleiding van de partituur gaf Bartók zeer precieze instructies over hoe de verschillende slagwerkinstrumenten moeten worden bespeeld, het soort beaters dat moet worden gebruikt en een plan van hoe ze op het podium moeten worden gegroepeerd.
Er zijn drie bewegingen: een snelle beweging, een langzame beweging en een snelle beweging. De eerste beweging begint met een langzame introductie.
Er zijn veel interessante en ongewone dingen om naar te luisteren in de muziek. Zo spelen de pauken in het eerste deel soms glissando's. Dit betekent dat de toonhoogte van de noten omhoog of omlaag schuift. De speler heeft hiervoor pauken met pedalen nodig. Dit deel is in sonatevorm.
Het tweede deel klinkt erg griezelig. Bartók schreef vaak muziek die 's nachts als insecten klonk. Dit is een van zijn "nachtstukken". In de climax van deze spannende muziek speelt Piano One veel glissando's.
Het laatste deel is een groot contrast met de sfeer in het langzame deel. Het is als een levendige dans.
De sonate werd voor het eerst uitgevoerd in Bazel in 1938, waarbij de componist de ene piano bespeelde en zijn vrouw Ditta de andere. Fritz Schiesser en Philipp Rühlig speelden het slagwerk. Het werd meteen erg populair en is sindsdien een van zijn bekendste werken. Bartók maakte ook een versie voor de twee piano's om met een orkest te spelen, maar die wordt normaal gesproken niet zo uitgevoerd.