Het boek van Jona uit het Oude Testament bevat vier hoofdstukken en achtenveertig verzen. Het boek vertelt het verhaal van de profeet Jona, die door God werd geroepen om naar de heidense stad Ninive te gaan, die God spoedig zou vernietigen als zij zich niet zouden bekeren. Ninive was de belangrijkste stad van de Assyriërs die de vijanden van Jona's land Israël waren. In plaats daarvan liep Jona weg van God en ging in een schip naar het westen. God stuurde een grote storm en het schip stond op het punt te zinken. God liet de zeelieden zien dat het Jona's schuld was, en hoewel ze dat niet wilden, gooiden ze hem uit het schip en stopte de storm. Jona werd opgeslokt door een grote vis (waarschijnlijk een walvis). Hij had berouw over zijn zonde van het weglopen van God. Daarna bad hij drie dagen en nachten. God liet de grote vis Jona op het droge spuwen. Daarna gehoorzaamde hij God en ging hij het volk vertellen over hun zonden aan God.
Jona ging toen de hele stad door om iedereen te vertellen dat God hen zou straffen. Hun harten waren veranderd en ze zagen hun boosdoenerij. Ze baden voor God om hen te verlossen van de komende verwoesting in hun stad. God zag hun verandering en had medelijden met hen, maar Jona geloofde het nog steeds niet. Hij ging op een hoge rots wachten en zag Gods woede tegen de stad. God was daar niet blij mee, dus liet hij eerst een plant groeien en stuurde toen een kleine worm om de kleine kalebasplant, die Jona's enige schaduw van de hitte van de zon was, te bijten. Jona was erg boos en zei dat het beter voor hem was om te sterven dan te leven. God zei op zijn beurt dat Jona meer om het plantje gaf dan alle mensen van Ninive!