Robert I van Schotland (11 juli 1274 - 7 juni 1329) was koning van Schotland van 1306 tot 1329. Hij is beter bekend als Robert the Bruce, of kortweg The Bruce. Hij is beroemd omdat hij het Engelse leger versloeg in de Slag bij Bannockburn bij Stirling in 1314.
Jeugd en afkomst
Robert Bruce werd geboren op 11 juli 1274 als zoon van Robert de Brus, 6de Lord of Annandale, en Marjorie, gravin van Carrick. Door zijn moeder erfde hij het graafschap Carrick, en door zijn familiebanden had hij aanspraken op de Schotse troon. In zijn vroege volwassenheid wisselde hij tussen steun aan verschillende partijen in de politieke strijd met Engeland, totdat de gebeurtenissen van 1306 hem definitief op het strijdtoneel van de Schotse onafhankelijkheid brachten.
De moord op John Comyn en kroning
In februari 1306 vermoordde Robert Bruce in de kerk van Dumfries John Comyn (ook wel John III Comyn of Comyn of Badenoch genoemd). Deze daad leidde tot grote ophef: Bruce werd uit de kerk verjaagd en kort daarna door de kerkelijke autoriteiten geëxcommuniceerd. Ondanks dat trok hij snel door het land en liet zich op 25 maart 1306 in Scone tot koning van Schotland kronen. Zijn vroege koningschap ging gepaard met zware verliezen: veel van zijn aanhangers werden gevangen genomen of gedood, en hij zelf moest zich terugtrekken en tijdelijk in ballingschap gaan.
Guerrillaoorlog en herstel van macht
Na zijn kroning voerde Robert een combinatie van guerrillatactieken, slimme diplomatie en selectieve veldslagen. Hij gebruikte snelle troepenbewegingen, kleine overvallen en het onthouden van steun aan Engelse verdedigingswerken om geleidelijk zijn macht te herstellen. Gedurende deze periode leverden bondgenoten als James Douglas en Thomas Randolph belangrijk werk bij het herwinnen van forten en gebieden.
Slag bij Bannockburn (1314)
Het keerpunt kwam in juni 1314 toen Bruce tegenover koning Edward II van Engeland stond in de Slag bij Bannockburn, nabij Stirling. Met een slimmer gebruik van het terrein, goed getrainde infanterietroepen en effectieve schiltron-formaties versloeg het Schotse leger het Engelse leger. De overwinning bij Bannockburn was symbolisch en strategisch belangrijk: het verstevigde de positie van Bruce als koning en gaf de Schotten tijd en ruimte om hun controle over het land uit te breiden.
Diplomatie en erkenning
Hoewel Bannockburn een beslissende overwinning was, duurde het nog jaren voordat volledige erkenning van Schotse onafhankelijkheid volgde. In 1320 werd de beroemde Verklaring van Arbroath (Declaration of Arbroath) opgesteld en naar de paus gestuurd; daarin vroegen de Schotse edelen om erkenning van hun vrijheid en het koningschap van Robert. Uiteindelijk leidde langdurige druk en veranderende politieke verhoudingen in Engeland tot de formele erkenning van Schotse onafhankelijkheid in het Verdrag van Edinburgh-Northampton van 1328, waarbij Robert I door Engeland werd erkend als koning van Schotland.
Overlijden en nalatenschap
Robert I stierf op 7 juni 1329. Zijn enige overlevende zoon, David II, volgde hem op als koning (David was toen nog een kind). Robert werd begraven in de abdij van Dunfermline; zijn hart werd volgens overlevering uitgenomen om — naar zijn wens — naar het Heilige Graf in Jerusalem te worden gebracht. James Douglas nam het hart mee, maar overleed later tijdens een militaire expeditie in Spanje; het hart werd uiteindelijk naar Schotland teruggebracht en in Melrose Abbey bijgezet.
Robert the Bruce wordt in Schotland en daarbuiten gezien als een van de belangrijkste nationale helden. Hij wordt herinnerd voor zijn vasthoudendheid, militaire vaardigheden en zijn rol bij het leggen van de basis voor een onafhankelijk Schotland. Zijn leven en daden spelen een grote rol in de Schotse geschiedenis en in het collectieve geheugen van de natie.