Hommels zijn een groep sociale en semi-sociale bijen van het geslacht Bombus. Het geslacht omvat ongeveer 250 verschillende soorten, meestal op het noordelijk halfrond. Ze komen ook voor in Nieuw-Zeeland en Tasmanië. Ze komen vrijwel overal op de Euraziatische landmassa voor.

De meeste hommels leven in kleine groepen, die meestal maar een jaar bestaan (hoewel de koningin langer meegaat). Ze verzamelen stuifmeel als eiwit voor hun jongen, en eten zelf nectar. Ze zijn extreem behaard, met een bedekking van zachte haren die een stapel worden genoemd. Het is de werkbij die men buiten ziet om stuifmeel te verzamelen. Het stuifmeel zit verpakt in twee "korfjes" op haar achterlijf, die goed zichtbaar zijn als ze vol zijn. De korfjes zijn gewoon haren die speciaal voor deze functie zijn aangepast.

De meeste hebben dezelfde sociale structuur als honingbijen: er is een koningin en er zijn werksters en darren. De gebruikelijke grootte van een kolonie is minder dan 50 leden, hoewel sommige tropische soorten in grotere kolonies leven.

Hommels dragen aposematische waarschuwingskleuren, meestal een combinatie van zwart, rood, geel en wit. Dit is de gebruikelijke Mülleriaanse nabootsing bij bijen en wespen. Hommels zijn extreem behaard, en dat is ook een verdediging tegen vogels. Vooral jonge vogels vinden ze moeilijk te hanteren. Sommige vogels zijn regelmatige rovers van hommels: de grote grauwe klauwier (Lanius excubitor) en de bijeneters bijvoorbeeld.