De verschillende soorten zijn aangepast aan de verschillende terreinen die ze bewonen. Boombewonende soorten (arboreaal) zijn slank, tenger en hebben een lange staart. Grondbewonende soorten zijn zwaarder, en hun staart kan klein of onbestaande zijn. Alle soorten hebben goed ontwikkelde duimen.
Zoals veel apen uit de Oude Wereld hebben ze kussentjes op hun billen. Deze worden zitbeenknobbels genoemd. Hierdoor kunnen de apen rechtop zittend slapen op dunne takken, buiten het bereik van roofdieren, zonder eraf te vallen. Bij sommige soorten veranderen deze kussentjes van kleur tijdens de paringsperiode.
Deze apen zijn overdag actief en leven samen in sociale groepen. Ze leven in alle soorten terrein en klimaat, van koele bergen tot regenwouden, savanne, kale rotsgebieden of zelfs besneeuwde bergen, zoals de Japanse makaak.
De meeste soorten zijn omnivoor, met een dieet dat varieert van vruchten, bladeren, zaden, knoppen en paddenstoelen tot insecten en spinnen en kleinere gewervelde dieren. Alle soorten hebben wangzakken waarin ze voedsel kunnen bewaren.
De dracht duurt ongeveer zes tot zeven maanden. De jongen worden na drie tot twaalf maanden gespeend en zijn binnen drie tot vijf jaar volgroeid. De levensverwachting van sommige soorten kan oplopen tot 50 jaar.