Aanpassing is het evolutionaire proces waarbij een organisme beter geschikt wordt voor zijn leefomgeving. Dit proces vindt plaats gedurende vele generaties. Het is een van de basisfenomenen van de biologie.

Als mensen spreken over aanpassing, bedoelen ze vaak een 'eigenschap' (een eigenschap) die een dier of plant helpt te overleven. Een voorbeeld is de aanpassing van de tanden van paarden aan het slijpen van gras. Gras is hun gebruikelijke voedsel; het verslijt de tanden, maar de tanden van paarden blijven tijdens het leven groeien. Paarden hebben zich ook aangepast om snel te rennen, wat hen helpt om te ontsnappen aan hun roofdieren, zoals leeuwen. Deze kenmerken zijn het product van het proces van aanpassing.

De illustratie van vogelbekken toont een duidelijk teken van hun verschillende manieren van leven. Echter, het eten van een ander voedsel betekent ook een ander spijsverteringsstelsel, darm, klauwen, vleugels en bovenal een ander erfelijk gedrag. Voor de grote aanpassingen is wat verandert niet één enkele eigenschap, maar een hele groep van kenmerken.

Aanpassing vindt plaats omdat de beter aangepaste dieren de meeste kans hebben om te overleven en zich succesvol te reproduceren. Dit proces staat bekend als natuurlijke selectie; het is de basisoorzaak van evolutionaire verandering.