Demersale dieren leven op of nabij de bodem van de zee of meren. De term wordt gewoonlijk toegepast op vissen.

Ze bezetten de zeebodem en de bodem van meren, die gewoonlijk uit modder, zand, grind of rotsen bestaan. In de kustwateren worden ze aangetroffen op of nabij het continentaal plat, en in diepe wateren op of nabij de continentale helling of langs de continentale helling. Ze worden over het algemeen niet aangetroffen in de diepste wateren, zoals de abyssale diepten of op de abyssale vlakte, maar ze kunnen wel worden aangetroffen rond onderzeese bergen en eilanden. Het woord demersaal komt van het Latijnse demergere, wat zinken betekent.

Demersale vissen zijn bodemvissen. Zij kunnen worden vergeleken met pelagische vissen, die van de bodem af leven en zich voeden in de open waterkolom. Demersale visfilets bevatten weinig visolie (één tot vier procent), terwijl pelagische vis tot 30 procent kan bevatten.