Op 6 april 1994 zaten de president van Rwanda, Juvénal Habyarimana, en de president van Burundi in een vliegtuig dat werd neergeschoten. Beide mannen waren Hutu's. Zoals het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten later zei:
| “ | Beide presidenten werden gedood. Alsof het neerschieten een signaal was, begonnen militaire en militiegroepen alle Tutsi's en politieke gematigden [leden van de regering die geen extremisten waren] op te pakken en te vermoorden, ongeacht hun etnische achtergrond. | ” |
Wegversperringen
Binnen een half uur na het neerstorten van het vliegtuig begonnen de Impuzamugambi en de Interahamwe de wegen in Kigali, de hoofdstad van Rwanda, te blokkeren. Alle Rwandezen moesten identificatiebewijzen dragen met daarop hun etnische groep vermeld. De milities vermoordden elke Tutsi die ze tegenkwamen.
De milities bleven wegversperringen gebruiken, die een belangrijk onderdeel werden van Rwanda's genocidestrategie:
- Identiteitskaarten maakten het makkelijk om te zien wie een Tutsi was
- Leiders gaven de militie lijsten van mensen die ze wilden doden; als een van deze mensen stopte bij een wegversperring, zou de militie hem doden
- Door de wegversperringen waren Tutsi's te bang om Rwanda via de weg te ontvluchten.
Huis-aan-huis moorden
Tijdens de eerste dagen van de genocide namen het Rwandese leger en de presidentiële garde de leiding over het executeren van mensen in Kigali. De Impuzamugambi en de Interahamwe waren echter bij hen, en de soldaten leerden hen wat ze moesten doen. Al snel werkten ze samen. Eerst vuurden de soldaten granaten, traangas en machinegeweren af op plaatsen waar Tutsi's zich mogelijk ophielden. Dan mochten de milities naar binnen gaan en iedereen doden. Vaak gebruikten ze machetes of knuppels om mensen te doden. Daarna zochten de soldaten en milities stukje bij beetje naar mensen die zich misschien nog verborgen hielden.
Op die manier hebben het Rwandese leger en de milities in de eerste vijf dagen van de genocide 20.000 mensen gedood.
Verspreiden van de genocide
Volgens Human Rights Watch telden de milities vóór 6 april slechts zo'n 2000 leden, vooral in Kigali. Maar: "Toen de genocide eenmaal was begonnen en de militieleden de vruchten begonnen te plukken van het geweld, nam hun aantal snel toe tot tussen de twintig- en dertigduizend voor het [hele] land [...]" Uiteindelijk groeiden de Impuzamugambi en de Interahamwe zo sterk dat ze samen 50.000 leden telden. Dat was de helft van het aantal leden van het reguliere Rwandese leger.
Hierdoor konden de milities de genocide over heel Rwanda verspreiden. Er waren milities over het hele land. De milities pleegden echter niet alle moorden tijdens de genocide. Ze moedigden gewone mensen aan, en dwongen hen soms, om hun Tutsi-buren, vrienden, vrouwen of echtgenoten te doden. Als zij dit niet deden, werden zij zelf gedood.
De milities slachtten groepen Tutsi's af die zich probeerden te verbergen op plaatsen als scholen en kerken. Zo vermoordden militieleden op 21 april 1994 in één dag bijna 65.000 Tutsi's in de Murambi Technical School massamoord.
De milities hebben ook veel vrouwen en meisjes verkracht en seksueelmisbruikt. In totaal zijn tijdens de genocide tussen 150.000 en 250.000 vrouwen en meisjes verkracht (hoewel niet kan worden vastgesteld hoeveel van deze misdaden door milities en hoeveel door leden van het leger zijn gepleegd).