Kulindadromeus is een plantenetende dinosaurus, een ornithisch dinosaurus uit het Jura van Siberië, Rusland. De soort is beschreven als Kulindadromeus zabaikalicus (Godefroit et al., 2014) en leefde in het midden–late Jura, ongeveer 165 miljoen jaar geleden. Het dier was relatief klein en tweevoetig, met een geschatte lichaamslengte van rond de één meter; de bouw wijst op een voornamelijk plantenetend dieet, met bladachtige tanden geschikt voor het verwerken van plantaardig materiaal.

Het opmerkelijke aan Kulindadromeus is dat het fossiel duidelijke tekenen van veerachtige structuren op het lichaam toont. Beschreven zijn ten minste drie verschillende soorten huidbedekking: eenvoudige, haarachtige filamenteuze structuren die over de romp voorkomen; complexere, samengestelde, veerachtige bundels op de bovenarmen en dijen; en typische schubben op delen van de poten en staart. Deze vondst leidde tot de hypothese dat proto-veren breder verspreid waren binnen Dinosauria dan eerder gedacht. De functie van die filamenten wordt vaak in verband gebracht met temperatuurregulatie en mogelijk display of isolatie; er is geen aanwijzing dat het om vliegveren ging.

Het oorspronkelijke exemplaar bestond uit een gedeeltelijke schedel met onderkaak, gevonden in fijn laminaire vulkanische aslagen die als een Konservat-Lagerstätte uitzonderlijke conservering van zachte weefsels mogelijk maakten. Sinds de eerste vondst zijn (vanaf circa 2010) veel meer botresten en meerdere individuen opgegraven, waaronder subadulte en juveniele exemplaren, waardoor onderzoekers de variatie in zowel skelet als huidbedekking beter konden bestuderen.

De vondst van Kulindadromeus heeft belangrijke implicaties voor de reconstructie van de evolutionaire geschiedenis van veren en aanverwante structuren. Omdat Kulindadromeus tot de ornithischiërs behoort — een tak van de dinosauriërs die ver verwijderd staat van de theropoden waaruit vogels ontstaan — suggereert dit dat veerachtige structuren mogelijk ouder en wijdverspreider zijn dan eerder werd aangenomen. Tegelijkertijd blijft er discussie onder paleontologen of deze structuren een gemeenschappelijke oorsprong hebben binnen alle dinosauriërs of dat ze onafhankelijk meerdere keren zijn ontstaan (convergentie). De vondst stimuleert verder onderzoek naar de functie, ontwikkeling en verspreiding van integumentaire structuren bij uitgestorven en levende archosauriërs.