De Romeinse verovering van Groot-Brittannië begon in 43 na Christus onder keizer Claudius. Zijn generaal Aulus Plautius werd de eerste gouverneur van Romeins Brittannië (Latijn: Britannia).
Groot-Brittannië was het doelwit geweest van invasies door de Romeinse Republiek en het Romeinse Rijk. Het had diplomatieke en commerciële banden met de Romeinen na de expedities van Julius Caesar in 55 en 54 voor Christus. De Romeinse economische en culturele invloed maakte al deel uit van het Britse laat-Romeinse ijzertijdperk, in het zuiden.
Tussen 55 voor Christus en de jaren '40 na Christus is Groot-Brittannië niet binnengevallen. Augustus bereidde invasies voor in 34 v.Chr., 27 v.Chr. en 25 v.Chr. De eerste en derde werden afgeblazen vanwege opstanden elders in het rijk, de tweede omdat de Britten klaar leken om in het reine te komen. Strabo's Geografie, geschreven in deze periode, zegt dat Groot-Brittannië meer aan douane en belastingen betaalde dan er door belastingheffing kon worden verhoogd als het eiland werd veroverd.
In de jaren '40 van de vorige eeuw was de politieke situatie in Groot-Brittannië blijkbaar een beetje chaotisch. Caligula plande een campagne tegen de Britten in de jaren '40, maar dat is nooit gebeurd. Caligula's voorbereidingen maakten de invasie van Claudius drie jaar later mogelijk. Zo bouwde Caligula een vuurtoren bij Bononia (het moderne Boulogne-sur-Mer) die model stond voor de vuurtoren die kort daarna in Dover werd gebouwd.

