Een koraal (spreek uit: "Ko-RAHL") is een hymne die in een Lutherse kerk door alle mensen wordt gezongen. Koren ontwikkelden zich tijdens de late Renaissance en de vroege Barok. De meeste van hen werden in die tijd geschreven.
Martin Luther vond dat de gemeente (mensen die in de kerk aanbidden) muziek moest hebben om te zingen die niet al te moeilijk was. Hij vond dat de woorden in het Duits moesten zijn in plaats van in het Latijn, zodat iedereen zou begrijpen waar ze over zingen. Luther schreef de woorden van vele koralen zelf. Hij componeerde zelfs enkele melodieën, zoals Ein' feste Burg. Soms gebruikte hij de traditionele gregoriaanse zangmelodieën uit de katholieke eredienst en voegde daar nieuwe Duitse woorden aan toe, bijvoorbeeld Christus lag in Todesbanden (Christus lag in de Duistere Obligaties van de Dood).
De woorden van een koraal hebben een rijmpatroon. De meeste melodieën hebben een AAB-vorm (de melodie van het eerste deel wordt twee keer gezongen, daarna het tweede deel). Deze vorm wordt in het Duits "Barvorm" genoemd.
Johann Sebastian Bach gebruikte veel koraalmelodieën en voegde daar meestal zijn eigen harmonie aan toe. Hij gebruikte deze in zijn cantates. Veel van deze koralen in vierstemmige harmonieën worden tegenwoordig in Duitse protestantse kerken als hymnen gezongen, en sommige van de melodieën worden ook in Engelstalige landen gebruikt.
Koraalmelodieën komen ook voor in koraalpreludes, stukken voor het orgel. Deze werden meestal gespeeld tijdens de kerkdiensten voordat het koraal werd gezongen.
Koortjes werden door veel latere componisten gebruikt in hun composities, zoals Felix Mendelssohn, Anton Bruckner en Max Reger.