Bruckner's vader was organist en schoolmeester in een klein dorpje in Oostenrijk. Toen Bruckner vier jaar oud was toonde hij al muzikaal talent. Hij speelde gezangen op een kleine viool en vond dan de akkoorden die daarbij hoorden op de familie-spinet. Toen hij tien was bespeelde hij soms het dorpsorgel voor de diensten. Na de dood van zijn vader in 1837 werd hij koorknaap in de kloosterschool van St. Florian, waar hij in 1848 organist van de abdijkerk werd. Hij begon in deze tijd te componeren en schreef een Requiem in d-klein. Hij hield van de muziek van Schubert en Mendelssohn en zij beïnvloedden de manier waarop hij componeerde.
Hoewel hij gelukkig was in St. Florian, zeiden zijn vrienden hem dat hij op zoek moest gaan naar een betere baan. Zij dwongen hem te solliciteren naar de baan van organist aan de kathedraal van Linz, die hij gemakkelijk kreeg. Ondertussen probeerde hij meer te leren over harmonie en volgde hij een cursus bij een beroemde leraar Simon Sechter. Daarna volgde hij een cursus orkestratie bij de leraar Otto Kitzler. Hij raakte zeer geïnteresseerd in de muziek van Romantische componisten als Liszt, Berlioz en vooral Wagner. In 1864 schreef hij een Mis in d klein voor koor en orkest waarin de invloed van Wagner duidelijk te horen was. In 1866 voltooide hij de eerste van zijn negen symfonieën. Hij schreef ook enkele zeer mooie motetten die behoren tot de beste muziek van de 19e eeuw, geschreven voor de rooms-katholieke kerk.
In 1866 verbleef hij drie maanden in een sanatorium na een zenuwinzinking. Tijdens zijn latere jaren leed hij vaak aan depressies.
In 1868 werd hij professor aan het Weens Conservatorium waar hij harmonie en contrapunt doceerde. Dit was een uitstekende baan. De laatste 25 jaar van zijn leven besteedde hij zijn tijd aan lesgeven en het componeren van zijn symfonieën. Hij reisde ook en gaf orgelconcerten in de Notre Dame in Parijs en de Royal Albert Hall en Crystal Palace in Londen.
Zijn muziek was zeer modern voor zijn tijd en sommige mensen, waaronder de beroemde muziekcriticus Eduard Hanslick, hielden er niet van. Hanslick zei dat Bruckner net zo componeerde als Wagner, maar hoewel Bruckner van Wagner had geleerd, kopieerde hij hem niet zomaar. Bruckner's muziek toont zijn eigen sterke persoonlijkheid. Hanslick, die een voorkeur had voor de symfonieën van Brahms, heeft Bruckner veel schade berokkend door slechte recensies over zijn muziek te schrijven. Hij was decaan van de muziekafdeling van de universiteit in Wenen en wilde niet dat Bruckner tot docent aan de universiteit werd benoemd. Bruckner kreeg die baan echter toch in 1875. Hij werd steeds bekender, vooral nadat de grote dirigent Arthur Nikisch in 1884 de eerste uitvoering van zijn Symfonie nr. 7 in het Leipziger Gewandhaus dirigeerde. Hij kreeg vele onderscheidingen. Bij zijn dood had hij zijn Symfonie nr. 9 nog niet voltooid. Hij werd begraven in St. Florian.