Rond de jaren 1920 begonnen Curie en veel van haar collega's te lijden aan symptomen van kanker. Curie begon haar gezichtsvermogen te verliezen. Cataractoperaties om te proberen haar gezichtsvermogen terug te krijgen, hielpen niet. Curie wist dat het door haar ontdekte element (radium) de oorzaak van de symptomen kon zijn, maar zij wilde dit niet aan zichzelf of aan anderen toegeven. In het begin van de jaren dertig ging het snel slechter met Curie. Artsen stelden vast dat ze pernicieuze anemie had. Pernicieuze anemie is een bloedarmoede die ontstaat wanneer iemand overmatig wordt blootgesteld aan straling. De dokters vertelden het publiek of Curie zelf niet wat er aan de hand was. Op 4 juli 1934, 66 jaar oud, stierf ze in een Sanitorium in de Franse Alpen. Ze werd toen naast haar man begraven in Sceaux, Frankrijk. Marie Curie was een natuurkundige en scheikundige die vooral bekend is om haar werk op het gebied van radioactiviteit; ze ontdekte echter ook de elementen polonium en radium. Zij kreeg twee Nobelprijzen - één voor natuurkunde, die zij samen met haar echtgenoot en Henri Becquerel won, en één voor scheikunde - en was de eerste persoon die twee Nobelprijzen won. Zij is nog steeds een van de slechts vier personen (samen met Linus Pauling, John Bardeen en Frederick Sanger) die deze prestatie hebben geleverd. Curie is verantwoordelijk voor het opstellen van de theorie van de radioactiviteit, maar helaas ontdekte ze onbewust ook het fatale effect dat radioactiviteit op je gezondheid kan hebben; ze stierf op 4 juli 1934 aan aplastische anemie, veroorzaakt door blootstelling aan straling.