Het fenotype van een organisme is de hele reeks karakters (of eigenschappen) van dat organisme.
Het betekent niet alleen 'wat je aan de oppervlakte kunt zien'. Het betekent veeleer alles wat met geschikte middelen zichtbaar kan worden gemaakt. Bloedgroepen zijn bijvoorbeeld zeker een onderdeel van het fenotype. Ze zijn echter niet alleen zichtbaar door naar een persoon te kijken.
In de biologie wordt het fenotype onderscheiden van het genotype. Dit werd voorgesteld door Wilhelm Johannsen in 1911 om het verschil duidelijk te maken tussen de erfelijkheid van een organisme en wat die erfelijkheid oplevert. Het onderscheid is vergelijkbaar met dat van August Weismann, die onderscheid maakte tussen kiemplasma (gameten of hun stamcellen) en somatische cellen (het lichaam).
Het fenotype is belangrijk omdat het wordt blootgesteld aan natuurlijke selectie:
"Van Darwin tot heden beschouwen de meeste evolutionisten het individuele organisme als het belangrijkste object van selectie. Eigenlijk is het het fenotype dat het deel van het individu is dat "zichtbaar" is voor selectie". Ernst Mayr
Fenotypes worden vooral bepaald door genen en worden beïnvloed door omgevingsfactoren. Het kennen van het genoom van een organisme geeft dus geen exacte voorspelling van het fenotype.
Kenmerken variëren sterk in hoeveel ze te danken hebben aan erfelijkheid (natuur vs. opvoeding). De interactie tussen genotype en fenotype is vaak geconceptualiseerd door de volgende relatie:

