Het natuur- versus kweekdebat gaat over de oorzaken van verschillen tussen mensen.
Zoals alle levende wezens hebben mensen aangeboren kwaliteiten geërfd. Er zijn ook gebeurtenissen of ervaringen die zich in het leven voordoen. De 'natuur' beschrijft het effect van de genen van een persoon, terwijl de 'opvoeding' alles beschrijft wat er tijdens het leven gebeurt.
In de taal van de populatiegenetica is de erfelijkheid van een kenmerk de mate waarin het genetisch wordt vererfd. Dat omvat ook gedrags- en karaktereigenschappen. Hoewel het publieke debat over de mens gaat, gelden de principes voor elk levend wezen, zowel voor planten als voor dieren.
De term 'natuur versus opvoeding' werd gesuggereerd door de Victoriaanse polymath Francis Galton. Hij werd beïnvloed door Darwin's On the Origin of Species. Hij onderzocht de invloed van erfelijkheid en milieu op de sociale vooruitgang.
Het was altijd al bekend dat mensen sommige kenmerken erfden, maar tijdens het leven werden aangepast. De termen waren bijvoorbeeld door Shakespeare tegengesteld (in The Tempest: 4.1). Al voor Shakespeare schreef de Engelse schoolmeester Richard Mulcaster in 1582:
"Waar de natuur hem naartoe maakt, maar die koestering zet hem vooruit."
Galton verzette zich niet tegen de natuur om zich als twee alternatieven te voeden. De uitdrukking 'nature vs nurture' is terecht bekritiseerd vanwege de overmatige vereenvoudiging ervan. Bijna alle schrijvers hebben zich gerealiseerd dat beide een rol spelen in onze make-up. Degene die op het eerste gezicht leek te denken dat de mens zijn 'geest' heeft gehaald uit de opvoeding (de tabula rasa of blanco-leistentheorie) was de filosoof John Locke. Hij hield zich echter alleen bezig met de manier waarop we kennis verwerven uit zintuiglijke gegevens.
Zowel de natuur als de opvoeding spelen een wisselende rol in de ontwikkeling, en veel moderne psychologen en antropologen beschouwen het contrast als naïef. Zij zien het als een verouderde staat van kennis.