Natuurlijke selectie is een centraal concept van de evolutie. Het werd onafhankelijk van elkaar voorgesteld door de Engelse biologen Charles Darwin en Alfred Russel Wallace in het midden van de 19e eeuw (1858). Het wordt soms het overleven van de sterkste genoemd. Darwin koos de naam als analogie met kunstmatige selectie (selectief fokken).

Natuurlijke selectie is het proces waarbij organismen met gunstige eigenschappen zich eerder voortplanten. Daarbij geven zij deze eigenschappen door aan de volgende generatie. Na verloop van tijd kunnen organismen zich dankzij dit proces aanpassen aan hun omgeving. Dit komt doordat de frequentie van genen voor gunstige eigenschappen in de populatie toeneemt.

Leden van een soort zijn niet allemaal gelijk, deels vanwege verschillen in erfelijkheid (genetica). Dit geldt zelfs voor kinderen van dezelfde ouders. Door sommige van deze verschillen kan een organisme beter overleven en zich voortplanten dan andere in een bepaalde habitat. Wanneer dit organisme zich voortplant, kunnen zijn nakomelingen de genen krijgen die dit voordeel hebben opgeleverd. Sommige aanpassingen zijn zeer duurzaam en nuttig in vele habitats.