Ragtime (ook wel voddenstijd genoemd) is een Amerikaans muziekgenre dat vooral tussen circa 1897 en 1918 grote populariteit genoot. Het staat bekend om zijn kenmerkende, scherp gesyncopeerde ritme en zijn rol als overgangsstijl tussen Europese mars- en salonmuziek en de later ontstane jazz. Ragtime ontstond in zowel stedelijke amusementsbuurten als in huiselijke salonomgevingen en werd vooral verspreid via uitgegeven bladmuziek voor piano.

Oorsprong en sociale context

Ragtime ontwikkelde zich aan het eind van de 19e eeuw in de Verenigde Staten, vaak in de zwarte gemeenschappen van steden. Het begon als dans- en amusementsmuziek in de rosse buurten van Amerikaanse steden als St. Louis en New Orleans, maar bereikte al snel een breder publiek door publicatie van populaire bladmuziek. De stijl combineerde elementen uit Europese marsen en salonmuziek met ritmische invloeden uit Afrikaanse tradities, waardoor polyritmiek en syncopatie centraal kwamen te staan.

Belangrijkste kenmerken

  • Gesyncopeerd ritme: het meest herkenbare kenmerk is de 'rafelige' of gesyncopeerde melodische lijn in de rechterhand, tegen een relatief stabiele, vaak march-achtige bas in de linkerhand.
  • Vorm en structuur: veel ragtime-stukken volgen een vaste vorm vergelijkbaar met marsen of populaire liedvormen, vaak met meerdere herhalende secties (bijvoorbeeld AABBACCDD-achtige patronen bij klassieke rags).
  • Harmonie: harmonische progressies zijn in wezen westerse tonale progressies, maar met verrassende accenten en omkeringen die de syncopatie ondersteunen (harmonische progressies zijn daarbij van belang).
  • Instrumentatie: hoewel ragtime vooral met solo-piano geassocieerd wordt (de klassieke ragtimepiano), werd het ook gearrangeerd voor kleine ensembles en later voor jazzbands.
  • Invloed van marsen: ragtime was deels een aanpassing van de populaire marsstijl zoals die werd gepopulariseerd door dirigenten als John Philip Sousa, maar met toegevoegd ritmisch en expressief materiaal.

Belangrijke componisten en stukken

Scott Joplin is de bekendste ragtimecomponist en wordt vaak de 'koning van ragtime' genoemd. Zijn publicatie van Maple Leaf Rag in 1899 maakte hem beroemd en vormde een model voor talloze andere rags: melodielijnen, harmonische keuzes en metrische patronen in die compositie beïnvloedden ragtimecomponisten gedurende vele jaren. Andere belangrijke figuren zijn onder meer James Scott en Joseph Lamb, die samen met Joplin tot de zogenaamde 'klassieke' ragtime-school behoren.

Naast de klassieke rags bestaan er verwante dansvormen zoals de cakewalk en later stijlen zoals stride die uit ragtime voortkwamen en sterk samenvloeiden met vroege jazzpraktijken.

Uitvoering en bladmuziek

Ragtime werd oorspronkelijk als bladmuziek uitgegeven voor huiselijk gebruik en voor professionele pianisten in café's en clubs. De notatie beschrijft doorgaans een strakke linkerhand (bass en akkoorden) en een syncopische rechterhand. Tempo en frasering kunnen variëren: sommige rags worden relatief strikt en marching uitgevoerd, andere met meer swingende of rubato-elementen, afhankelijk van traditie en uitvoerder.

Invloed op jazz en klassieke muziek

Ragtime wordt vaak gezien als een belangrijke voorloper van de jazz: veel vroege jazzmuzikanten putten uit ragtime-vocabulaire voor ritmische en harmonische ideeën. Na circa 1917 verloor ragtime aan zichtbaarheid toen de improvisatiegerichte jazz de publieke verbeelding overnam, maar ragtime bleef een blijvende bron van materiaal en inspiratie.

Ragtime beperkte zijn invloed niet tot populaire muziek. Het werk van Joplin en andere ragtimeschrijvers werd door sommigen vergeleken met gevestigde klassieke dansvormen—ragtime (met Joplins werk op de voorgrond) is geciteerd als een Amerikaans equivalent van menuetten door Mozart, mazurka's door Chopin, of walsen door Brahms. Componisten uit de klassieke traditie, zoals Erik Satie, Claude Debussy en Igor Stravinsky, namen elementen uit ragtime en Amerikaanse populaire muziek in hun werk of lieten zich erdoor inspireren.

Dans en culturele invloed

Ragtime werd opgenomen in de danspraktijken van het begin van de 20e eeuw: het beïnvloedde parendansen en sociale dansstijlen, en werd gebruikt in danslessen en performances. Zo werd ragtime opgenomen in de dansstijlen van Vernon en Irene Castle, en had invloed op Engelse stijldansen, de foxtrot en de quickstep.

Revivalgolven en opnamegeschiedenis

Hoewel ragtime na de opkomst van jazz minder dominant werd, kende het meerdere revivalgolven. Begin jaren veertig namen veel jazzbands ragtime in hun repertoire op en verschenen ragtime-opnames op 78-toerenplaten. In de jaren vijftig werd een bredere hernieuwde belangstelling zichtbaar doordat meer historische opnamen en bladmuziek beschikbaar kwamen en nieuwe werken werden gecomponeerd en uitgegeven.

Een belangrijke heropleving vond plaats in de vroege jaren zeventig. In 1971 bracht Joshua Rifkin een compilatie van het werk van Scott Joplin uit die zelfs genomineerd was voor een Grammy Award. De film The Sting (1973) met een soundtrack vol Joplin-tunes bracht ragtime opnieuw in de schijnwerpers en maakte onder andere Joplins 1902-rag The Entertainer (incorrect in de oorspronkelijke tekst als "The Entertainer in" genoemd) populair; de bewerking werd in 1974 een Top 5-hit in de Verenigde Staten.

Nalatenschap

Ragtime heeft blijvende invloed gehad op zowel populaire als serieuze muziek. Het leverde belangrijke ritmische en structurele elementen aan de ontwikkeling van de Amerikaanse muziektraditie en diende als brug tussen Europese vormen en Afro-Amerikaanse ritmische innovaties. Ragtimecomposities worden nog steeds bestudeerd, uitgevoerd en opgenomen door pianisten, kamermuziekensembles en orkesten, en het repertoire blijft een belangrijk onderdeel van de geschiedenis van de 20e-eeuwse muziek.

Samenvattend: ragtime is meer dan een historisch curiosum. Het is een technisch gelaagde, ritmisch vitale muziekstijl die een stevige bijdrage leverde aan de vorming van moderne muziekgenres en die—door componisten, uitvoerders en het publiek—talloze malen is herontdekt en opnieuw gewaardeerd.