Met de Tudorperiode wordt gewoonlijk de periode tussen 1485 en 1603 bedoeld, meer bepaald in verband met de geschiedenis van Engeland. Dit was de periode waarin de Tudor-dynastie in Engeland regeerde. De eerste vorst was Hendrik VII (1457-1509). De term wordt vaak in ruimere zin gebruikt om de regeerperiode van Elizabeth I (1558- 1603) te omvatten, hoewel deze vaak afzonderlijk wordt behandeld als het Elizabethaanse tijdperk.

Na de Zwarte Dood en de landbouwdepressie aan het eind van de 14e eeuw nam de bevolking weer toe. De uitvoer van wollen producten naar het Europese vasteland hielp de economie behoorlijk. Hendrik VII kreeg in 1496 gunstige handelsvoorwaarden.

De hoge lonen en de overvloed aan beschikbare grond aan het einde van de 14e eeuw en het begin van de 15e eeuw maakten plaats voor lage lonen en een tekort aan grond. Verschillende inflatiedrukkende factoren, wellicht als gevolg van de toevloed van goud uit de Nieuwe Wereld en de stijgende bevolking, zorgden ervoor dat de kloof tussen rijk en arm groter werd. Voor het grootste deel van de plattelandsbevolking was dit een periode van ingrijpende veranderingen, omdat een begin werd gemaakt met de afscherming van het platteland.