Dit waren enkele van de belangrijkste ideeën in zijn eerste boek:
1. Er is geen fundamenteel verschil tussen een levend organisme en levenloze materie. Leven moet zijn ontstaan als een natuurlijke evolutie van materie.
2. Methaan zit in de atmosfeer van Jupiter en de andere reuzenplaneten. Oparin dacht dat de jonge Aarde een sterk reducerende atmosfeer had, die methaan, ammoniak, waterstof, en waterdamp bevatte. Volgens hem waren dit de grondstoffen voor de evolutie van het leven.
3. In het begin waren er de eenvoudige oplossingen van organische stoffen. Hun gedrag werd bepaald door hun atomen en door de ordening van die atomen in moleculen. Geleidelijk aan, als gevolg van de groei en de toegenomen complexiteit van de moleculen, ontstonden structuren met nieuwe eigenschappen. Deze nieuwere eigenschappen werden bepaald door de ruimtelijke en onderlinge rangschikking van de moleculen.
4. In dit proces bestaat reeds biologische ordelijkheid. Concurrentie, snelheid van celgroei, survival of the fittest, strijd om het bestaan en, tenslotte, natuurlijke selectie hebben de kenmerken van levende wezens voortgebracht.
Oparin schetste een manier waarop organische basischemicaliën zich zouden kunnen vormen tot microscopisch kleine gelokaliseerde systemen. Dit zouden voorlopers zijn van de cel waaruit primitieve levende wezens zich zouden kunnen ontwikkelen. Hij haalde werk aan met organische chemicaliën die, in oplossing, druppels en lagen vormen. Oparin suggereerde dat verschillende typen zich in de oeroceaan van de aarde zouden kunnen hebben gevormd. Zij waren onderhevig aan een selectieproces dat uiteindelijk tot leven leidde.