Het Britse Uganda Programma (vaak kortweg het Uganda-plan genoemd) was een voorstel om een stuk van Oost-Afrika, dat onder Britse invloed stond, ter beschikking te stellen aan Joodse mensen als tijdelijke of permanente vestigingsplaats. Het plan ontstond in de context van een scherpe toename van antisemitisch geweld in het Russische Rijk — waaronder de beruchte pogroms van 1903 — en had als doel een veilige toevluchtsoord te bieden voor vervolgde Joden.

Aanbod en achtergrond

Het aanbod werd in 1903 gedaan door de Britse minister van Koloniën, Joseph Chamberlain, aan de organisatie van zionistische leiders onder aanvoering van Theodor Herzl. Chamberlain bood een gebied op of nabij het Mau-plateau aan; in de bronnen wordt meestal een oppervlakte genoemd van ongeveer 5.000 vierkante mijlen (ongeveer 13.000 km²). Het gebied lag in het toenmalige Britse Oost-Afrika, in het gebied dat nu Kenia is, en wordt om die reden soms het “Uganda-scheme” genoemd, ondanks dat het niet in het huidige Oeganda lag.

Debat binnen het zionisme

Het voorstel werd geagendeerd op het zesde Zionistisch Congres, dat in 1903 in Basel bijeenkwam. Het leidde tot felle debatten binnen de zionistische beweging. Een deel van de leiding, waaronder ook Herzl, zag het aanbod als een mogelijk noodopvangmiddel om directe levens te redden; anderen keurde het plan principieel af omdat de zionistische doelstelling de vestiging in het historische land Israël/Palestina betrof.

De motie om het aanbod te onderzoeken en als tijdelijk alternatief te beschouwen werd op dat congres met 295 tegen 177 stemmen aangenomen. De uitslag weerspiegelde de verdeeldheid: veel met name Oost-Europese delegaties verzetten zich krachtig tegen elke afwijking van het Palestijnse doel.

Onderzoek, kritiek en uiteindelijke afwijzing

Na het congres volgden verkenningen en technische onderzoeken naar de geschiktheid van het gebied. Daarnaast speelde mee dat het voorgestelde territorium al door Afrikaanse gemeenschappen werd bewoond; kwesties van soevereiniteit en de positie van de lokale bevolking speelden mee in de discussie, net als praktische factoren (klimaat, landbouwmogelijkheden, afstand tot Europa en Palestina).

De controverse hield aan en het voorstel leidde tot spanningen binnen de zionistische beweging. Op het zevende Zionistisch Congres (1905) werd het Uganda-plan formeel verworpen en bevestigden de afgevaardigden opnieuw dat het zionistische doel de vestiging in Palestina moest blijven. Het British Government-aanbod verviel uiteindelijk; de zionistische organisaties richtten hun aandacht weer op Palestina.

Gevolgen en betekenis

  • Het Brits-Oegandaplan toonde de urgentie van het vluchtelingenvraagstuk binnen het Joodse volk en dat sommige leiders bereid waren tijdelijke, pragmatische oplossingen te overwegen.
  • De discussie legde de diepe verdeeldheid binnen de zionistische beweging bloot: idealen en historische bindingen botsten met directe humanitaire noden.
  • Uiteindelijk versterkte het debat de nadruk op Palestina als centraal doel van het zionisme en had het een blijvende invloed op de politieke strategieën en verhoudingen binnen de beweging.

Het Brits-Oegandaplan blijft in de geschiedschrijving van het zionisme een belangrijk voorbeeld van een moreel en politiek dilemma: de spanning tussen noodhulp en het nastreven van een nationale historische ambitie.