Wilde vs Queensberry
Op 18 februari 1895 liet de markies zijn visitekaartje achter in Wilde's club, de Albemarle, met opschrift: "Voor Oscar Wilde, die zich voordoet als een sodomiet."
Wilde, daartoe aangezet door Douglas en tegen het advies van zijn vrienden in, spande een particuliere rechtszaak aan tegen Queensberry, en liet hem arresteren op beschuldiging van smaad. Omdat sodomie toen een misdrijf was, kwam het briefje van Queensberry neer op een openbare beschuldiging dat Wilde een misdrijf had begaan, wat de rechtsgrondslag vormde voor een aanklacht wegens smaad. Queensberry kon een veroordeling wegens smaad alleen voorkomen door aan te tonen dat zijn beschuldiging op waarheid berustte.
In zijn openingspleidooi voor de verdediging kondigde de raadsman van Queensbury, Edward Carson, aan dat hij verschillende mannelijke prostituees had gevonden die zouden getuigen dat zij seks hadden gehad met Wilde. Op advies van zijn advocaten besloot Wilde daarop de aanklacht tegen Queensberry wegens smaad in te trekken. Queensberry werd niet schuldig bevonden, omdat de rechtbank verklaarde dat zijn beschuldiging dat Wilde zich "voordeed als een sodomiet" gerechtvaardigd was, "waar in substantie en in feite".
Krachtens de Libel Act 1843 was Wilde door de vrijspraak van Queensberry wettelijk aansprakelijk voor de aanzienlijke kosten die Wilde had moeten maken voor zijn verdediging, waardoor Wilde failliet ging.
The Crown vs Wilde
Nadat Wilde de rechtbank had verlaten, werd een arrestatiebevel tegen hem uitgevaardigd op beschuldiging van sodomie en grove onfatsoenlijkheid. Vrienden vonden Wilde in een hotel; zij raadden hem aan naar Dover te gaan en te proberen een boot naar Frankrijk te krijgen. Zijn moeder raadde hem aan te blijven en als een man te vechten. Wilde werd gearresteerd en in voorlopige hechtenis genomen in Holloway, waar hij dagelijks bezoek kreeg van Douglas.
De gebeurtenissen gingen snel. Zijn vervolging begon op 26 april 1895 en Wilde pleitte onschuldig. Hij had Douglas al gesmeekt Londen te verlaten voor Parijs, en Douglas vluchtte naar het Hotel du Monde. Bij het kruisverhoor aarzelde Wilde eerst, daarna sprak hij welsprekend:
Charles Gill (vervolging): Wat is "de liefde die haar naam niet durft te zeggen? "
Wilde: "De liefde die haar naam niet durft te zeggen' is in deze eeuw een zo grote genegenheid van een oudere voor een jongere man als er was tussen David en Jonathan, zoals Plato die tot de basis van zijn filosofie maakte, en zoals je die aantreft in de sonnetten van Michelangelo en Shakespeare. Het is die diepe geestelijke genegenheid die even zuiver als volmaakt is. Het dicteert en doordringt grote kunstwerken, zoals die van Shakespeare en Michelangelo, en die twee brieven van mij, zoals ze zijn. Zij wordt in deze eeuw miskend, zozeer miskend dat zij kan worden omschreven als "de liefde die haar naam niet durft te zeggen", en op grond daarvan ben ik geplaatst waar ik nu ben. Het is mooi, het is fijn, het is de edelste vorm van genegenheid. Er is niets onnatuurlijks aan. Het is intellectueel, en het bestaat herhaaldelijk tussen een oudere en een jongere man, wanneer de oudere man intellect heeft, en de jongere man alle vreugde, hoop en glamour van het leven voor zich heeft. Dat het zo moet zijn, begrijpt de wereld niet. De wereld drijft er de spot mee en zet iemand er soms voor aan de schandpaal".
Dit antwoord werkte echter in juridisch opzicht averechts, omdat het de beschuldiging van homoseksueel gedrag alleen maar kracht bijzette. Het proces eindigde met de conclusie dat de jury niet tot een uitspraak kon komen. De raadsman van Wilde, Sir Edward Clark, kon uiteindelijk een borgtocht overeenkomen. Dominee Stewart Headlam betaalde het grootste deel van de borgtocht van 5.000 pond, omdat hij het niet eens was met de behandeling van Wilde door de pers en de rechtbank. Wilde werd vrijgelaten uit Holloway en dook, de aandacht schuwend, onder in het huis van Ernest en Ada Leverson, twee van zijn vaste vrienden. Edward Carson benaderde Frank Lockwood (QC) en vroeg: "Kunnen we de zaak nu niet laten rusten? "p435 Lockwood antwoordde dat hij dat graag zou doen, maar vreesde dat de zaak te gepolitiseerd was geworden om te laten vallen.
Tijdens het laatste proces werden Wilde en Alfred Taylor veroordeeld voor grove zedenschennis en tot twee jaar dwangarbeid. De rechter beschreef de straf als "volstrekt ontoereikend voor een zaak als deze", hoewel het de maximumstraf was die volgens de Criminal Law Amendment Act van 1885 voor de aanklacht was toegestaan. Wilde's antwoord: "En ik? Mag ik niets zeggen, mijn Heer?" werd overstemd door kreten van "Schande" in de rechtszaal.