De Slag om Stalingrad (1942–1943) werd tijdens de Tweede Wereldoorlog uitgevochten tussen nazi-Duitsland onder leiding van Adolf Hitler en de Sovjet-Unie onder leiding van Jozef Stalin. De strijd om de controle over de stad Stalingrad begon in de zomer van 1942 en duurde van 23 augustus 1942 tot 2 februari 1943. Duitsland kreeg steun van Italië, Hongarije, Kroatië en Roemenië. De slag geldt als een van de belangrijkste keerpunten van de oorlog, omdat zij het einde inluidde van de Duitse strategische opmars in het oosten. Hitler gaf later zelf voor een deel de nederlaag van zijn plannen de schuld aan Stalingrad.

Achtergrond en strategisch belang

Stalingrad (nu Volgograd) lag aan de rivier de Wolga en was zowel een belangrijke industriestad als een cruciale transportroute voor materiaal en voedsel naar het zuiden. Door de val van Stalingrad konden de Duitse troepen mogelijk de toegang krijgen tot de olievelden in de Kaukasus, wat strategisch van groot belang was. Daarnaast speelde symboliek een rol: Hitler wilde de stad die naar Jozef Stalin was genoemd innemen om de Sovjet-leider te vernederen.

Verloop van de slag: stadsgijzeling en huis-aan-huisgevechten

In juni 1942 lanceerde Hitler een offensief in het zuiden van de Sovjet-Unie. Eind juli 1942 had het Duitse leger Stalingrad al bereikt. De Duitse Luftwaffe bombardeerde de stad zwaar, en veel gebouwen veranderden in puinhopen. Het puin bood tegelijkertijd schuilplaatsen voor Sovjet-strijders; vanuit ruïnes en fabriekscomplexen vochten Sovjet-soldaten, partizanen en sluipschutters vaak van gebouw tot gebouw en van kamer tot kamer. Dit maakte de gevechten bijzonder bloedig en traag. Beide leiders stuurden grote aantallen troepen en gaven strenge orders: iedereen die zich terugtrok zou volgens bevel ter plekke worden doodgeschoten wegens verraad.

Operatie Uranus en de omsingeling

Op 19 november 1942 lanceerde het Rode Leger de tegenaanval die later bekendstaat als Operatie Uranus. Met goed geplaatste aanvallen op de flanken, waar veel van de asmogendheden een zwakkere bezetting hadden, wisten de Sovjets de Duitse en bondgenootschapstroepen rond Stalingrad te omsingelen. Het Duitse Zesde Leger van generaalfeldmarschall Friedrich Paulus raakte ingesloten in de stad en op de westelijke oever van de Wolga. Hitler beval Paulus en zijn troepen om stand te houden en verbood een terugtrekking.

Luchtbrug, reddingspogingen en capitulatie

De Duitse luchtmacht probeerde de omsingelde troepen uit de lucht te bevoorraden met wat voorraden en munitie. De luchtbrug voldeed echter niet: de hoeveelheid die werd aangevoerd was onvoldoende voor de noden van honderdduizenden soldaten en veel vliegtuigen gingen verloren door de vijandelijke luchtafweer en slecht weer. In december 1942 probeerde veldmaarschalk Erich von Manstein met Unternehmen Wintergewitter (Winterstorm) een doorbraak te forceren, maar die poging faalde in het bereiken van Paulus.

Door kou, ziekte, honger en gebrek aan munitie raakten de Duitse stellingen uitgeput. Op 31 januari 1943 gaf generaal Friedrich Paulus zich over; in de dagen daarna capituleerden de laatste Duitse en bondgenoten-eenheden. Officieel eindigde de slag op 2 februari 1943, toen de laatste restanten van het Zesde Leger zich overgaven.

Verliescijfers, gevangenen en humanitaire gevolgen

De Slag om Stalingrad was een van de bloedigste veldslagen in de geschiedenis. Schattingen van slachtoffers lopen uiteen en zijn per bron verschillend, maar gezamenlijk vielen er naar schatting honderden duizenden doden aan beide zijden en miljoenen gewonden en vermisten. In brede aantallen gaat het om meer dan een miljoen slachtoffers als men doden, gewonden en krijgsgevangenen bij elkaar optelt. De verliezen aan Sovjetzijde waren groter dan aan de Duitse zijde, maar de Duitse nederlaag had enorme strategische gevolgen.

Rond 91.000 Duitse en bondgenootschapssoldaten werden gevangen genomen bij de uiteindelijke capitulatie; een groot deel overleefde de gevangenschap niet. Ook onder burgers waren de verliezen extreem hoog: bombardementen, artilleriebeschietingen, honger en ziekte maakten veel slachtoffers. Er zijn ook gedocumenteerde en ooggetuigenverslagen over extreme ontberingen: hongersnood, het eten van dieren en in sommige gevallen meldingen van kannibalisme — aangrijpende voorbeelden van hoe wreed en ontmenselijkend de omstandigheden waren.

Gevolgen en betekenis

Strategisch betekende de Slag om Stalingrad een omslagpunt aan het Oostfront. De nederlaag verzwakte Hitlers plan om de Sovjet-Unie te overrompelen, dat was gestart met Operatie Barbarossa, en verzwakte de Duitse capaciteiten op lange termijn. Na Stalingrad gingen de Sovjets vaker en succesvoller tot grootschalige tegenoffensieven over, waarmee zij het strategische initiatief naar zich toe trokken. De morele impact was eveneens groot: de Duitse troepen en de Duitse thuisfrontgemoedstoestand leden onder het verlies, terwijl de Sovjetpropaganda en moraal een oppepper kregen.

Nalatenschap

De verwoesting van Stalingrad was totaal: grote delen van de stad lagen in puin. De herinnering aan de slag leeft voort in monumenten, literatuur en historische studie — zowel in Rusland als internationaal. Stalingrad werd later hernoemd tot Volgograd en de slag wordt nog altijd beschouwd als een van de meest beslissende en meest menselijke kostbare gevechten van de Tweede Wereldoorlog. De Slag om Stalingrad illustreert de combinatie van strategische belangen, stedelijke oorlogsvoering en de zware tol die oorlog eist van strijders en burgers.

Belangrijk om te benadrukken is dat de cijfers en details rond de slag soms uiteenlopen tussen bronnen; historici blijven debatteren over precieze aantallen en oorzaken. Desondanks is de consensus dat Stalingrad het begin markeerde van het einde van de Duitse offensieve kracht op het Oostfront.