De Hebreeuwse taal, een Semitische taal, is de taal van de Joden. De Academie voor de Hebreeuwse Taal is de belangrijkste instelling van het Hebreeuws.

Het werd lang geleden gesproken door de Israëlieten, ten tijde van de Bijbel. Na de verovering van Juda door Babylonië werden de Joden gevangen genomen in Babylon en begonnen ze Aramees te spreken. Het Hebreeuws werd niet meer veel gebruikt in het dagelijks leven, maar het was nog steeds bekend bij Joden die religieuze boeken bestudeerden.

In de 20e eeuw besloten veel Joden om van het Hebreeuws weer een spreektaal te maken. Het werd de taal van het nieuwe land Israël in 1948. De mensen in Israël kwamen van vele plaatsen en besloten om Hebreeuws te leren, de taal van hun gemeenschappelijke voorouders, zodat ze allemaal één taal konden spreken. Modern Hebreeuws is echter heel anders dan Bijbels Hebreeuws, met een eenvoudigere grammatica en veel leenwoorden uit andere talen, vooral Engels.

Vanaf vandaag is het Hebreeuws de enige dode taal die weer tot een levende taal is gemaakt.

De Bijbel is oorspronkelijk geschreven in het Bijbels Hebreeuws, Bijbels Aramees en Koine Grieks.