Immuniteit is het vermogen van het lichaam om zich te verdedigen tegen 'vreemde lichamen'. Dit betekent het afwijzen van infecties, het opruimen van stof dat in de longen terechtkomt en het doden van kankercellen. Vaccinatie bouwt voort op het natuurlijke immuunsysteem om een persoon te laten weerstaan aan bepaalde ziekten.
Immuniteit is van tweeërlei aard. De aangeboren immuniteit beschermt de gastheer tegen infectie, maar heeft geen 'geheugen', en geeft dus geen langdurige immuniteit.
Het tweede type is de adaptieve immuniteit, die wel een soort 'geheugen' heeft. Het geeft wel een langdurige bescherming tegen specifieke ziekteverwekkers.
Alle dieren, planten en schimmels hebben een aangeboren immuniteit. Gewervelde dieren hebben ook een adaptieve immuniteit.
Mensen kunnen worden ingeënt tegen bepaalde ziekten door middel van een vaccinatie (injectie van een dood of verzwakt virus, of een bacterie die de ziekte veroorzaakt). Hierdoor leert het lichaam hoe het virus of de bacterie het lichaam beschadigt en zal het sneller reageren om het virus of de bacterie te bestrijden als het weer in contact komt met het virus of de bacterie. Wanneer uw lichaam zich heeft verdedigd tegen de virussen/bacteriën zal het de bepaalde virussen/bacteriën in een "net" opsluiten, dus wanneer de virussen/bacteriën terugkomen zal het makkelijker zijn om ook die virussen/bacteriën te vangen.