De Nobelprijs voor Fysiologie of Geneeskunde is een van de Nobelprijzen die door Alfred Nobel in het leven zijn geroepen. Deze prijs wordt toegekend door het Karolinska Institutet, een groot medisch centrum in Zweden. De prijs wordt jaarlijks toegekend aan een persoon of personen die uitstekend werk hebben verricht op het gebied van de geneeskunde (het behandelen of stoppen van ziekten) of de fysiologie (de werking van het lichaam).
Korte geschiedenis. De prijs is geregeld door het testament van Alfred Nobel uit 1895 en werd voor het eerst uitgereikt in 1901; de eerste laureaat in deze categorie was Emil von Behring. Sindsdien erkent de prijs ontdekkingen en vooruitgang die fundamenteel hebben bijgedragen aan ons begrip van het leven en aan de behandeling of preventie van ziekte.
Werking en selectieproces
De uiteindelijke beslissing over de toekenning ligt bij de Nobelvergadering (Nobel Assembly) van het Karolinska Institutet, een lichaam van vijftig wetenschappers. Een kleinere Nobelcommissie bereidt de zaak voor en doet aanbevelingen. Enkele belangrijke punten:
- Geschikte personen en instellingen worden jaarlijks uitgenodigd om genomineerden voor te dragen; hiervoor komen onder meer professoren en eerdere Nobelprijswinnaars in aanmerking.
- De nominatieperiode sluit meestal eind januari; de laureaat(s) wordt (worden) in oktober bekendgemaakt.
- De prijs kan maximaal aan drie personen tegelijk worden toegekend. Organisaties komen in deze categorie doorgaans niet in aanmerking; de prijs gaat primair naar personen.
- Een Nobelprijs wordt normaal niet postuum toegekend, tenzij de winnaar kort na de bekendmaking overlijdt.
- De uitreiking vindt plaats op 10 december (de sterfdag van Alfred Nobel) in Stockholm, met medaille, oorkonde en een geldbedrag dat per jaar kan variëren (in recente jaren rond de 10–11 miljoen Zweedse kronen voor de prijs).
Betekenis en voorbeelden
De Nobelprijs voor Fysiologie of Geneeskunde heeft vaak grote invloed op onderzoek en volksgezondheid: een toekenning betekent erkenning van een doorbraak die nieuwe onderzoeksrichtingen opent of direct medische toepassingen mogelijk maakt. Enkele bekende voorbeelden (met slechts enkele jaartallen ter illustratie):
- Ontwikkeling van penicilline en de toepassing ervan (Alexander Fleming, Howard Florey, Ernst Chain).
- Ontdekking van de structuur van DNA (James Watson, Francis Crick, Maurice Wilkins).
- Bewijs dat Helicobacter pylori maagulcus kan veroorzaken (Barry Marshall en Robin Warren).
- Ontwikkelingen rond hepatitis C-virus en de diagnose daarvan (Harvey J. Alter, Michael Houghton, Charles M. Rice).
- Doorbraken in immunotherapie tegen kanker (James P. Allison, Tasuku Honjo).
- Doorbraken die mRNA-technologie voor vaccins mogelijk maakten (bijv. recente erkenning voor werk dat de toepassing van mRNA-vaccins bevorderde).
Kritiek en aandachtspunten
Hoewel de prijs hoge erkenning biedt, bestaat ook kritiek, bijvoorbeeld dat grootschalige samenwerkingsverbanden of heel veelvuldige bijdragen aan één doorbraak moeilijk volledig kunnen worden erkend omdat slechts maximaal drie personen worden onderscheiden. Verder is er discussie geweest over het ondervertegenwoordigd zijn van vrouwen en onderzoekers uit niet-westerse landen in de geschiedenis van de prijs.
Dit artikel vormt een inleiding; een volledige, chronologische lijst van alle winnaars (met jaartallen en redenen van toekenning) hoort thuis in het vervolg van het artikel en biedt een gedetailleerd overzicht van de laureaten sinds 1901.











