De moa waren grote loopvogels. Ze leefden alleen in Nieuw-Zeeland, en zijn nu allemaal uitgestorven.

Er waren negen soorten (in zes geslachten) Moa. De grootste en bekendste was het geslacht Dinornis, dat tot 3,6 meter hoog kon worden en tot 230 kilogram kon wegen.

De groep vogels waartoe de moa's behoren, bestond al sinds het Krijt. De Māori's kwamen ongeveer duizend jaar geleden vanuit Oceanië naar Nieuw-Zeeland. Toen leefden de moa's in grote aantallen, vooral op het Zuidereiland. Archeologische vindplaatsen met bewijzen van de jacht op moa's zijn overal in Nieuw-Zeeland te vinden. De moa's zijn ongeveer vijfhonderd jaar geleden uitgestorven. De moa's hadden de jacht door Haast's adelaar overleefd. Ze konden echter niet overleven door de jacht van de Maori's als voedsel.

Kenmerken

Moa waren volledig loopvogels: ze hadden geen functionele vleugels meer, alleen sterk gereduceerde scheenbenige/vingerachtige structuren. Hun lichaam was aangepast aan het lopen en opgraven, met krachtige poten en een stevige bouw. De nek was vaak lang, waardoor sommige soorten bladeren van struiken en bomen konden bereiken. De grootte van moa's varieerde sterk; sommige waren ongeveer ter grootte van een kalkoen, terwijl de grootste soorten — zoals Dinornis — meer dan 3 meter hoog konden reiken en enkele honderden kilo's konden wegen.

Soorten en indeling

Traditioneel worden negen soorten in zes geslachten onderscheiden. Bekende geslachten zijn onder andere Dinornis, Pachyornis, Anomalopteryx, Megalapteryx, Emeus en Euryapteryx. De exacte indeling is door modern onderzoek met ancient DNA en botanalyses bijgesteld, maar het algemene beeld van meerdere gescheiden typen met uiteenlopende grootte blijft staan.

Leefwijze en ecologie

Moa waren planteneters. Onderzoek van uitwerpselen (coprolieten), maaginhoud en botten toont aan dat ze bladeren, twijgen, vruchten, zaden en gras aten. Door hun verschillende maten en snavels vervulden ze verschillende ecologische rollen: sommige soorten waren bodembewoners die lage vegetatie aten, andere waren browsers die hogerop in struiken en bomen voerden. Ze speelden een belangrijke rol bij het verspreiden van zaden en het onderhoud van plantengemeenschappen in Nieuw-Zeeland.

Ontdekking door de mens en uitsterven

De Māori's vestigden zich in Nieuw-Zeeland waarschijnlijk rond 1250–1300 na Christus. In korte tijd werden moa intensief bejaagd voor vlees, huiden en eieren. Ook grootschalige branden en het kappen van vegetatie door mensen veranderden hun leefgebieden. Door deze combinatie van directe jachtdruk en verlies van leefgebied verdwenen de meeste moa-populaties snel; wetenschappelijke schattingen plaatsen het uitsterven grotendeels in de 14e–15e eeuw, dus ruwweg 500–700 jaar geleden. Dit snelle verdwijnen maakte ook het voortbestaan van specialistische roofdieren moeilijk: de reusachtige Haast's adelaar, die op moa jaagde, verdween kort na het uitsterven van zijn prooidieren.

Bewijs en onderzoek

Er zijn veel fossiele en subfossiele resten gevonden: botten, eieren, skeletten en coprolieten. Archeologische vindplaatsen met bewijzen van de jacht — zoals maarten en ringen van botten in menselijke nederzettingen — tonen de rol van de mens. Moderne technieken, waaronder isotopenanalyse en oude DNA-analyse, hebben veel informatie opgeleverd over de verwantschappen, levenswijze en geslachtsverhoudingen van moa's. Zo blijkt bijvoorbeeld bij sommige soorten grote seksuele dimorfie te zijn: vrouwtjes waren veel groter dan mannetjes.

Betekenis en nalatenschap

Moa zijn belangrijk voor de kennis over eilandecologie en de gevolgen van menselijke kolonisatie. Hun snelle uitroeiing wordt vaak aangehaald als voorbeeld van de kwetsbaarheid van eilandeilandfauna voor jacht en habitatverlies. Skeletten en gereconstrueerde exemplaren zijn te zien in musea in Nieuw-Zeeland en elders, en ze blijven een symbool van het unieke maar broze natuurerfgoed van Nieuw-Zeeland.

Samenvattend: moa waren unieke, reusachtige loopvogels die alleen in Nieuw-Zeeland voorkwamen. Hoewel ze al miljoenen jaren bestonden, verdwenen ze binnen enkele eeuwen na de komst van de mens door intensive jacht en verlies van leefgebied. Hun overblijfselen en het onderzoek daarna geven belangrijke inzichten in evolutie, ecologie en de impact van menselijke activiteiten op geïsoleerde ecosystemen.