Eland (Alces alces; in Europa vaak gewoon eland genoemd) is het grootste lid van de familie der herten. Sommige onderzoekers beschouwen de Noord‑Amerikaanse populations als een aparte soort, Alces americanus, maar vaak worden ze als ondersoorten van Alces alces beschouwd.
Beschrijving
De eland is opvallend door zijn grote lichaamsmaat en lange poten. Volwassen stieren (mannetjes) kunnen een schouderhoogte bereiken van ongeveer 1,8–2,1 m en een gewicht van 400–700 kg (in uitzonderlijke gevallen nog iets meer). Koeien (vrouwtjes) zijn duidelijk kleiner en lichter. Kenmerkend zijn de brede, afgeplatte geweiplaten bij de mannetjes: het gewei kan een spanwijdte tot circa 1,5–1,8 m hebben en is elk jaar groter naarmate het dier ouder wordt. De vacht is meestal bruin tot donkerbruin; jonge kalveren hebben een iets warmere kleur bij de geboorte.
Andere herkenningspunten zijn de lange, slanke poten (goed aangepast voor lopen door diepe sneeuw en door ondiep water), de hangende huidplooi onder de keel (de zogenaamde “bel” of huidlap) en een grote, brede kop met een overhangende snuit.
Gedrag en voeding
Elanden zijn voornamelijk solitaire dieren: volwassen stieren leven vaak alleen buiten het paarseizoen, terwijl koeien soms in kleine groepjes samenleven met hun kalveren. In sommige omstandigheden — bijvoorbeeld rond voedselrijke plekken in de winter — kunnen zich losse concentraties vormen, maar geen vaste, grote kuddes zoals bij sommige hoefdieren.
Hun voedsel bestaat vooral uit bladeren, twijgen, schors en waterplanten. In de zomer eten elanden veel waterplanten en jonge loofbomen; in de winter knabbelen ze aan kale takken van berken, wilgen en loofbomen. Ze zijn echte browsers (schraapeters) en gebruiken hun lange snuit om takken af te trekken en waterplanten ondergedompeld te grazen.
Voortplanting
De bronst (rut) vindt plaats in het najaar, meestal tussen september en oktober. Tijdens de bronst zoeken stieren actief naar koeien en brengen ze karakteristieke loeien en gevechten voort waarbij het gewei gebruikt wordt om rivalen te imponeren of te verdrijven. De draagtijd bedraagt ongeveer 230–250 dagen, waarna meestal één of twee kalveren ter wereld komen (tweelingen komen vaker voor in sommige Noord‑Amerikaanse populaties). Kalveren blijven de eerste maanden dicht bij de moeder en worden beschermd tegen roedels en roofdieren.
Levensverwachting en predatie
Elanden kunnen in het wild typisch 15–20 jaar oud worden; veel dieren bereiken lagere leeftijden door predatie, ziekten of ongelukken. Belangrijke natuurlijke vijanden zijn wolven en bruine beren, die vooral jonge of verzwakte dieren kunnen doden. Mensen vormen elders de grootste druk door jacht en het wegvangen van dieren.
Verspreiding en habitat
Elanden komen voor in uitgestrekte gebieden van het noordelijke halfrond: in Noord‑Europa, grote delen van Azië en in Noord‑Amerika. Binnen deze gebieden geven ze de voorkeur aan bosrijke streken met veel waterranden en moerassige stukken. Ze leven vaak in de nabijheid van meren en moerassen, en ze zijn ook te vinden in berggebieden en uitgestrekte toendrazones. Omdat elanden veel voedsel uit ondiep water halen, zijn natte gebieden voor hen van groot belang; moerassen en rietlanden vormen daarom belangrijke habitattypes.
Bedreigingen en bescherming
Algemene bedreigingen zijn habitatverlies door ontbossing en verstedelijking, aanrijdingen met voertuigen, ziekten en parasieten (zoals teken en bepaalde long‑ of hersenparasieten), en lokale overbejaging. Klimaatverandering beïnvloedt ook verspreiding en voedselbeschikbaarheid. Veel landelijke populaties worden echter actief beheerd en in veel regio’s is de soort stabiel of zelfs toegenomen dankzij beschermingsmaatregelen en beheersprogramma’s.
Op wereldschaal staat de eland op de IUCN‑rode lijst meestal als Least Concern (niet direct bedreigd), maar de status kan per regio sterk verschillen. Lokale populaties worden daarom vaak apart gevolgd en beschermd.
Interessante feiten
- De eland is vegetariër en eet 's zomers veel waterplanten, waarmee hij voedingsstoffen krijgt die op het land ontbreken.
- Het gewei groeit elk jaar opnieuw en wordt na de bronst afgeworpen; nieuw gewei is in het groeiseizoen bedekt met een fluweelachtige huidlaag (de “velvet”) die later afwerpt.
- Door hun grootte en donkere vacht zijn elanden in de schemering en nacht beter zichtbaar voor voertuigen; aanrijdingen vormen daardoor een groot risico op wegen in elandgebieden.
Terminologie: een mannetje heet een stier, een vrouwtje een koe en een jong heet een kalf. Een groep elanden wordt meestal een kudde genoemd. De standaard meervoudsvorm in het Nederlands is elanden.


