Hadrosauriërs (wat "lompe hagedissen" betekent) waren de familie van plantenetende eendensnaveldinosauriërs. Zij waren de meest voorkomende dinosaurussen.

Hadrosaurussen varieerden in grootte van 3 tot 20 meter. Zij hadden hoornachtige, tandeloze snavels en honderden wangtanden in de flanken van hun kaken. De eendensnaveldinosauriërs hadden de meeste tanden; zij hadden tot ongeveer 960 wangtanden. Hadrosaurussen leefden in het late Krijt, en hun fossielen zijn gevonden in Noord-Amerika, Europa en Azië.

Belangrijkste kenmerken

Hadrosauriërs hadden enkele opvallende aanpassingen die hen efficiënte planteneters maakten:

  • Bek en wangtanden: de harde, tandeloze snavel werd gebruikt om vegetatie af te knippen. Achter de snavel bevond zich een complexe set van rangschikkingen tanden, vaak genoemd een "dental battery", waarmee ze plantaardig materiaal konden malen en vermalen.
  • Kaakbeweging: hun kaken konden een schurend, zijdelings-slijpend bewegingspatroon maken, wat effectiever was voor het verteren van vezelrijk plantaardig voedsel dan een simpele op-en-neer beweging.
  • Velvoorraad: fossiele huidafdrukken tonen dat veel hadrosauriërs kleine, keiharde schubben hadden met soms grotere knobbels; er is geen concreet bewijs voor uitgebreide veren bij de grote soorten.
  • Groottevariatie: van kleine soorten van enkele meters tot zeer grote vormen van ongeveer 15–20 meter lengte.

Variatie in kopvormen en kappen

Hadrosauriërs worden vaak in twee hoofdgroepen verdeeld: de crested soorten (vaak Lambeosaurinae genoemd) met holle, vaak ingewikkelde knobbels of kappen op de kop, en de niet-crested of massievere soorten (vaak Saurolophinae genoemd) zonder zulke holle crests. De holle kappen konden dienen voor visuele herkenning, soortonderscheid en waarschijnlijk ook als resonantiekamers om geluiden te versterken—een mogelijke manier van communicatie binnen kuddes.

Voortbeweging en gedrag

Hadrosauriërs konden zowel binnen als buiten hun vier poten lopen: ze waren facultatief tweebenig en vierbenig. Bij snel lopen of rennen stonden ze vaak op twee poten, bij grazen of langzaam lopen meestal op vier. Veel bewijs wijst op sociaal leven: fossielen tonen vaak groepen en massale vergrafingen. Er zijn ook aanwijzingen voor kolonies van nesten en ouderzorg; bekende voorbeelden uit de paleontologie laten zien dat jongen in groepen leefden en dat sommige soortgenoten voor hun jongen zorgden.

Leefomgeving en verspreiding

Hadrosauriërs kwamen veel voor in riviervlaktes, kustvlakten en overstromingsgebieden waar veel planten beschikbaar waren. Hun fossielen zijn met name rijk in gesteentelagen uit het late Krijt (Campanian–Maastrichtian). Ze zijn bekend uit Noord-Amerika, Europa en Azië, waar ze vaak samenleefden met andere dinosauriërgroepen.

Voortplanting en ontwikkeling

Vondsten van nesten, eieren en jonge hadrosauriërs laten zien dat sommige soorten in kolonies nestelden en dat de jongen snel groeiden. Bij bepaalde soorten is bewijs gevonden dat ouders voor de jongen zorgden of dat jongen in groepen werden gevoed en beschermd.

Fossielen en wetenschappelijke betekenis

Hadrosauriërs hebben een zeer compleet fossielenbestand achtergelaten, inclusief skeletten, huidafdrukken en nesten. Daardoor leveren ze veel belangrijke informatie over anatomie, groei, gedrag en ecologie van dinosauriërs. Hun gespecialiseerde tandvervanging en kauwmechanismen maken hen een interessant onderwerp voor studies naar dieet en evolutie van plantenetende dinosauriërs.

Voorbeelden van bekende geslachten zijn o.a. Edmontosaurus, Parasaurolophus, Corythosaurus, Lambeosaurus en Maiasaura—elke soort toont variatie in kopvorm, grootte en levenswijze binnen deze succesvolle groep.

Tenslotte verdwenen de hadrosauriërs samen met veel andere dinosauriërs bij de massale uitsterving aan het einde van het Krijt, maar hun rijke fossielen blijven cruciaal om het leven in die periode te begrijpen.