Kunstmatige intelligentie (AI) is het vermogen van een computerprogramma of een machine om te denken en te leren. Het is ook een studiegebied dat computers "slim" probeert te maken. Ze werken op zichzelf zonder dat ze gecodeerd zijn met commando's. John McCarthy kwam in 1955 met de naam "Artificial Inteligencence".
In het algemeen wordt de term "kunstmatige intelligentie" gebruikt voor een programma dat de menselijke cognitie nabootst. In ieder geval kunnen sommige dingen die we met andere geesten associëren, zoals leren en het oplossen van problemen, door computers worden gedaan, hoewel niet op dezelfde manier als wij dat doen. Andreas Kaplan en Michael Haenlein definiëren AI als het vermogen van een systeem om externe gegevens correct te interpreteren, om van dergelijke gegevens te leren en om die leerstof te gebruiken om specifieke doelen en taken te bereiken door middel van flexibele aanpassing.
Een ideale (perfecte) intelligente machine is een flexibel middel dat zijn omgeving waarneemt en acties onderneemt om de kans op succes bij een bepaald doel of doelstelling te maximaliseren. Naarmate machines steeds bekwamer worden, worden mentale vermogens die ooit geacht werden intelligentie te vereisen, uit de definitie verwijderd. Zo wordt bijvoorbeeld optische karakterherkenning niet langer gezien als een voorbeeld van "kunstmatige intelligentie": het is slechts een routinetechnologie.
Op dit moment gebruiken we de term AI voor het succesvol begrijpen van menselijke spraak, het concurreren op hoog niveau in strategische spelsystemen (zoals Chess and Go), zelfrijdende auto's en het interpreteren van complexe gegevens. Sommige mensen beschouwen AI ook als een gevaar voor de mensheid als het in het huidige tempo doorgaat.
Een extreem doel van AI-onderzoek is het maken van computerprogramma's die kunnen leren, problemen kunnen oplossen en logisch kunnen denken. In de praktijk hebben de meeste toepassingen echter problemen opgepikt die computers goed kunnen doen. Het doorzoeken van databanken en het doen van berekeningen zijn dingen die computers beter doen dan mensen. Aan de andere kant is "het waarnemen van de omgeving" in de echte zin van het woord veel meer dan het huidige computergebruik.
AI omvat veel verschillende gebieden zoals informatica, wiskunde, taalkunde, psychologie, neurowetenschappen en filosofie. Uiteindelijk hopen de onderzoekers een "algemene kunstmatige intelligentie" te creëren die veel problemen kan oplossen in plaats van zich te richten op één enkel probleem. Onderzoekers proberen ook creatieve en emotionele AI te creëren die zich mogelijkerwijs kan inleven of kunst kan creëren. Vele benaderingen en instrumenten zijn uitgeprobeerd.
Op basis van de managementliteratuur classificeren Kaplan en Haenlein kunstmatige intelligentie in drie verschillende soorten AI-systemen: analytische, door de mens geïnspireerde en gehumaniseerde kunstmatige intelligentie. Analytische AI heeft alleen kenmerken die consistent zijn met cognitieve intelligentie die een cognitieve representatie van de wereld genereert en gebruik maakt van leren op basis van ervaringen uit het verleden om toekomstige beslissingen te onderbouwen. Menselijk geïnspireerde AI heeft elementen van zowel cognitieve als emotionele intelligentie, waarbij naast cognitieve elementen ook menselijke emoties worden meegenomen in de besluitvorming. Menselijk geïnspireerde AI vertoont kenmerken van alle soorten competenties (d.w.z. cognitieve, emotionele en sociale intelligentie), die in staat zijn om zelfbewust en zelfbewust te zijn in interacties met anderen.