De polonaise is een Poolse dans. Het begon als een volksdans en werd daarna populair bij de Poolse adel. Het is in 3/4 tijd. Het volgt een kenmerkend ritme zoals hierboven geïllustreerd. Veel polonaises zijn gecomponeerd in wat men ternaire vorm noemt, of zangvorm, of menuet en trio. Deze vormen volgen allemaal een A-B-A patroon. De muziek van de A-secties is in beide secties gelijk, zo niet exact identiek. De B-sectie is totaal verschillend. Het zorgt op een bepaalde manier voor contrast met de A-secties. In de hoven van de aristocratie speelden de muzikanten vaak een polonaise vanuit de galerij, terwijl de mensen beneden in de receptiezaal dansten.
De Poolse cultuur was erg populair in Europa in de jaren 1830 en zo werd de polonaise bekend in andere landen. Componisten begonnen polonaises te schrijven voor de piano. Stukken met de naam Polonaise waren al gecomponeerd door Bach, Händel, François Couperin en anderen, maar het was Frédéric Chopin die in de 19e eeuw verschillende Polonaises voor piano schreef die beroemd werden. De meeste daarvan zijn zeer moeilijk te spelen, vooral de beroemde Polonaise in A flat, Op. 53.
Verschillende Russische componisten schreven polonaises om een Poolse sfeer te geven, bijvoorbeeld Tsjaikovski in zijn ballet De Doornroosje en in zijn opera Eugene Onegin.


