Sponzen zijn sessiel, zij leven op één plaats, waar zij aan de bodem vastzitten. Enkele sponzen kunnen van positie veranderen, ze kunnen zich verplaatsen met snelheden tussen 1 mm en 4 mm per dag. Ze doen dit als amoeben. Enkele soorten kunnen hun hele lichaam samentrekken. Vele kunnen hun openingen/gaatjes sluiten.
Vleesetende sponzen
Een paar soorten leven in wateren waar heel weinig voedsel voorhanden is. Daarom zijn ze veranderd, en roofdieren geworden. Zij eten kleine kreeftachtigen en andere kleine dieren. De meeste van deze sponzen behoren tot de familie Cladorhizidae, maar enkele leden van de Guitarridae en Esperiopsidae zijn ook carnivoren. In de meeste gevallen is weinig bekend over hoe zij hun prooi vangen. Van sommige soorten wordt gedacht dat ze kleverige draden of gehaakte stekels gebruiken. De meeste vleesetende sponzen leven in diepe wateren, tot op 8.840 meter, en de ontwikkeling van exploratietechnieken in de diepzee zal naar verwachting leiden tot de ontdekking van verscheidene andere soorten. Eén soort is echter aangetroffen in grotten in de Middellandse Zee op een diepte van 17-23 meter, naast de meer gebruikelijke filtrerende sponzen. De in grotten levende roofdieren vangen schaaldieren van minder dan 1 millimeter lang door ze te verstrikken met fijne draden, verteren ze door ze in de loop van enkele dagen met nog meer draden te omhullen, en nemen dan hun normale vorm weer aan; er zijn geen aanwijzingen dat zij gif gebruiken.
Bij de meeste bekende vleesetende sponzen zijn het waterstromingssysteem en de choanocyten volledig verdwenen. Het geslacht Chondrocladia maakt echter gebruik van een sterk gewijzigd waterstromingssysteem om ballonachtige structuren op te blazen die worden gebruikt om prooien te vangen.
Voortplanting in sponzen
Ongeslachtelijke voortplanting
Sponzen planten zich meestal voort als er kleine stukjes afbreken. Als zo'n stukje de juiste soorten cellen heeft, kan het uitgroeien tot een nieuwe spons. Enkele sponzen kunnen ook gebruik maken van knopvorming. Bij knopvorming groeit een klein sponsje op de ouder; als het klaar is met groeien, valt het er gewoon af. Wanneer de omstandigheden slecht zijn, kunnen sommige sponzen ook klonten van niet-gespecialiseerde cellen laten groeien. Deze ontwikkelen zich pas als de omstandigheden weer beter worden. Ze kunnen dan een nieuwe spons maken, of ze kunnen het skelet van de (afgestorven) ouderspons gebruiken.
Seksuele voortplanting
De meeste sponzen planten zich geslachtelijk voort. Ze kunnen spermacellen maken die in het water worden losgelaten. Deze worden opgevangen door een andere spons, en vervolgens naar de eicellen van de ouder getransporteerd. Dit staat bekend als levendbarend. Beide cellen worden samengevoegd tot larven, die kunnen wegzwemmen op zoek naar een goede plek om zich te vestigen.
De andere manier, bekend als eierleggend, is dat zowel de zaadcellen als de eicellen in het water worden vrijgelaten. Deze vermengen zich dan buiten de sponzen.