Toen hij van de nederlaag hoorde, was keizer Augustus, volgens de Romeinse geschiedschrijver Suetonius in zijn werk De vita Caesarum (Over het leven van de Caesars), zo geschokt door het nieuws dat hij met zijn hoofd tegen de muur van zijn paleis stond te bonken en herhaaldelijk riep:
"Quintili Vare, legiones redde! "('Quintilius Varus, geef me mijn legioenen terug!')
De drie legioennummers werden na deze nederlaag nooit meer door de Romeinen gebruikt, in tegenstelling tot andere legioenen die werden geherstructureerd - een geval dat uniek is in de Romeinse geschiedenis.
De slag maakte een einde aan de periode van triomfantelijke Romeinse expansie die 40 jaar eerder op het einde van de burgeroorlogen was gevolgd. Augustus' stiefzoon Tiberius nam de macht over en bereidde de voortzetting van de oorlog voor. Drie legioenen werden naar de Rijn gestuurd om de verloren legioenen te vervangen.
Romeinse vergelding
Hoewel de schok van de slachting groot was, begonnen de Romeinen met een langzame, systematische voorbereiding om het land te heroveren. In 14 n. Chr., juist na Augustus' dood, en de toetreding van zijn erfgenaam en stiefzoon Tiberius, werd een grote razzia geleid door de neef van de nieuwe keizer, Germanicus.
In een sterrennacht slachtte hij de Marsi af en verwoestte hun dorpen met vuur en zwaard. Die nacht hadden de Germanen feest gevierd; dronken en in slaap, werden zij door Germanicus verrast. De tempel van hun godheid werd verwoest.
Verscheidene andere stammen werden door deze slachtpartij gewekt en lokten Germanicus op weg naar zijn winterkwartier in een hinderlaag, maar werden met zware verliezen verslagen.
Het volgende jaar werd gekenmerkt door twee grote veldtochten en verscheidene kleinere veldslagen met een groot leger dat op 55.000-70.000 man werd geschat, gesteund door zeemachten. In de lente van 15 AD viel de legaat Caecina Severus de Marsi een tweede maal binnen met 25.000-30.000 man, waarbij hij grote verwoestingen aanrichtte.
Ondertussen hadden de troepen van Germanicus een fort gebouwd op de berg Taunus, van waaruit hij met 30 tot 35.000 man optrok tegen de Chatti (waarschijnlijk een streek van dorpen) en kinderen, vrouwen en bejaarden afslachtte. De weerbare mannen vluchtten over een rivier en verstopten zich in de bossen. Na deze slag trok Germanicus op naar Mattium en brandde de stad plat.
In de zomer van 15 na Christus, bezocht het leger de plaats van de eerste slag. Volgens Tacitus vonden ze hopen beenderen, en schedels vastgespijkerd aan bomen, die ze begroeven, "...allen beschouwend als bloedverwanten en van hun eigen bloed...". Begraafkuilen met overblijfselen die aan deze beschrijving voldoen zijn gevonden op de Kalkriese heuvel.
Onder Germanicus trokken de Romeinen in 16 n. Chr. nog een leger, met geallieerde Germanen, Germanië binnen. Hij kon zich een weg vechten over de Weser bij het huidige Minden, waarbij hij enkele verliezen leed. Hij dwong het leger van Arminius tot een open strijd aan de Weser. De legioenen van Germanicus brachten de Germaanse legers enorme verliezen toe, terwijl ze slechts kleine verliezen leden.
Een laatste slag werd uitgevochten bij de Anglische Muur, ten westen van het huidige Hannover. Opnieuw werden veel Germaanse soldaten gedood, waardoor zij moesten vluchten. In de zomer van 16 n. Chr. marcheerde Caius Silius met 33.000 man tegen de Chatti. Germanicus viel de Marsi voor een derde maal binnen en verwoestte hun land.
Met zijn hoofddoelen bereikt en de winter op komst, beval Germanicus zijn leger terug te keren naar hun winterkampen, waarbij de vloot beschadigd raakte in een storm in de Noordzee. Na nog enkele invallen over de Rijn, waarbij twee van de drie in 9 n. Chr. verloren adelaars van de Romeinse legioenen werden teruggevonden, beval Tiberius de Romeinse strijdkrachten te stoppen en zich over de Rijn terug te trekken. Germanicus werd naar Rome teruggeroepen en door Tiberius op de hoogte gebracht dat hij een triomf en een nieuw commando zou krijgen.
Germanicus' veldtocht was bedoeld als wraak voor de nederlaag bij Teutoburg, en ook deels als reactie op tekenen van muiterij onder zijn troepen.
Arminius, die door Rome als een reële bedreiging voor de stabiliteit werd beschouwd, was nu verslagen. Toen zijn geallieerde Germaanse coalitie eenmaal was gebroken en de eer was gewroken, waren de enorme kosten en risico's om het Romeinse leger voorbij de Rijn te laten opereren, de waarschijnlijke voordelen niet meer waard.
Het laatste hoofdstuk van dit verhaal wordt verteld door de historicus Tacitus. Rond 50 na Christus vielen bendes Chatti het Romeinse grondgebied binnen en begonnen te plunderen (alles van waarde meenemen). De Romeinse bevelhebber, met een legionairsmacht ondersteund door Romeinse cavalerie en hulptroepen, viel de Chatti van beide kanten aan en versloeg hen. De Romeinen waren verrukt toen zij Romeinse gevangenen vonden, waaronder enkele uit de legioenen van Varus die 40 jaar door de Chatti waren vastgehouden.