Biogeografie is de studie van de verspreiding van soorten. Het stelt vast waar organismen leven, en waarom ze al dan niet in een bepaald geografisch gebied voorkomen.

Biogeografie leert hoe dieren en planten zijn aangepast aan de plaatsen waar ze leven, en hoe gelijksoortige plaatsen vaak heel verschillende dieren en planten hebben.

Tussen ongeveer 1800 en 1855 maakten natuurhistorici lijsten van soorten in verschillende streken van de wereld. Deze lijsten werden als tabellen in hun boeken gepubliceerd. Charles Darwin en Alfred Russel Wallace publiceerden het idee van evolutie door natuurlijke selectie. Zij reisden naar tropische landen en schreven over het leven in die landen. Volgens hen was evolutie de sleutel tot het begrijpen van geografische verspreiding.

Nieuwe soorten ontstaan meestal door soortvorming - een eerdere soort splitst zich in tweeën. Deze soorten kunnen naar nieuwe plaatsen reizen, maar ze kunnen worden tegengehouden door bergen en zeeën en door het klimaat. Dit betekent dat twee plaatsen met een vergelijkbaar klimaat vaak verschillende soorten dieren en planten hebben. Buideldieren bijvoorbeeld, die in Australië leven, verschillen sterk van de fauna in Zuid-Amerika. De soorten op eilanden (Hawaï, Galapagos) kunnen heel anders zijn dan de soorten op het vasteland.