De mispel is een boom en de naam van de vrucht van deze boom. Zijn Latijnse naam is Mespilus germanicus, of "Duitse mispel", maar hij komt niet uit Duitsland. Hij groeit in het Nabije Oosten en Zuidoost-Europa, en de Romeinen hebben hem naar Duitsland gebracht. In de buurt van de Kaspische Zee groeide de mispel ongeveer drieduizend jaar geleden. Hij kwam naar Griekenland in ongeveer 700 voor Christus en naar Rome in ongeveer 200 voor Christus. Het was een belangrijke fruitplant in de Romeinse en middeleeuwse tijd. Maar tegen 1600-1700 begon men andere vruchten te eten en niet de mispel. Tegenwoordig verbouwen mensen het niet meer zo vaak.

De mispel heeft warme zomers en milde (niet te koude) winters nodig en groeit graag op zonnige, droge plaatsen. Op de beste plaatsen kan de plant tot acht meter hoog worden. De mispel is bladverliezend: hij is niet het hele jaar door groen. Meestal is hij korter dan een boom. Hij leeft dertig tot vijftig jaar, een vrij korte tijd. De mispel is donkergroen, maximaal vijftien centimeter lang en drie centimeter breed. De plant heeft bloemen in het late voorjaar. De bloemen zijn wit. De roodbruine mispelvruchten lijken op appels en groeien tot twee à drie centimeter. Ze zijn zeer hard en zuur, en we kunnen ze pas eten als het koude weer ze zacht maakt.