Meiose is een speciale vorm van celdeling. In tegenstelling tot mitose, de manier waarop normale lichaamscellen zich delen, resulteert meiose in cellen die slechts de helft van het gebruikelijke aantal chromosomen hebben, één van elk paar. Om die reden wordt meiose vaak reductiedeling genoemd. Op de lange termijn verhoogt meiose de genetische variatie, op een manier die later zal worden uitgelegd.

Seksuele voortplanting vindt plaats wanneer een zaadcel een eicel bevrucht. De eicellen en het sperma zijn speciale cellen die gameten worden genoemd, oftewel geslachtscellen. Gameten zijn haploïden; ze hebben slechts de helft van het aantal chromosomen als een normale lichaamscel (een somatische cel genoemd). Door bevruchting worden de chromosomen in de lichaamscellen hersteld tot het diploïde aantal.

Het basisaantal chromosomen in de lichaamscellen van een soort wordt het somatische getal genoemd en wordt aangeduid met 2n. Bij de mens 2n = 46: we hebben 46 chromosomen. In de geslachtscellen is het chromosoomnummer n (mens: n = 23). In normale diploïde organismen zijn de chromosomen dus in twee exemplaren aanwezig, één van elke ouder (23x2=46). De enige uitzondering zijn de geslachtschromosomen. Bij zoogdieren heeft het vrouwtje twee X-chromosomen, en het mannetje één X- en één Y-chromosoom.

Een karyotype is het karakteristieke chromosoomnummer van een eukaryote soort. De voorbereiding en studie van karyotypes maakt deel uit van de cytogenetica, de genetica van cellen.

Alle eukaryoten die zich voortplanten gebruiken meiose. Dit omvat ook veel eencellige organismen. Meiose komt niet voor in archaea of bacteriën, die zich voortplanten door aseksuele processen zoals binaire splijting.