Klein nucleair RNA (snRNP, of 'snurps'), voegt zich samen met eiwitten om spliceosomen te vormen. De spliceosomen regelen alternatieve splicing.
De achtergrond hiervan is dat, in eukaryoten, de meeste genen coderen voor een eiwit in gescheiden strengen DNA. Dit komt omdat van een totaal gen de coderende bits (exons) worden gescheiden door niet-coderende bits (introns). Het proces dat alternatieve splitsing wordt genoemd kan veel mogelijke eiwitten uit de gendelen produceren omdat de eiwitten op verschillende manieren worden samengevoegd. Alternatieve splitsing produceert alternatieve boodschapper RNA's, en deze produceren verschillende eiwitten. Spliceosomen controleren de details van de splicing.
De twee essentiële componenten van snRNPs zijn eiwitmoleculen en RNA. Het RNA dat in elk snRNP-deeltje wordt gevonden staat bekend als klein nucleair RNA, of snRNA, en is meestal ongeveer 150 nucleotiden lang. De snRNA-component van snurp is specifiek voor individuele introns omdat het de opeenvolging van kritieke signalen op de einden en de vertakkingsplaatsen van introns "erkent". SnRNA in snurps is gelijkaardig aan ribosomaal RNA: het doet zowel dienst als een enzym (katalysator) en bouwt structuur.
SnRNPs werden ontdekt door Michael Lerner en Joan Steitz. Thomas Cech en Sidney Altman speelden ook een rol in de ontdekking en wonnen in 1989 de Nobelprijs voor de Scheikunde voor hun onafhankelijke ontdekkingen dat RNA kan fungeren als katalysator in de ontwikkeling van cellen.