Er zijn verschillende functies voorgesteld, als volgt:
1. Bescherming tegen roofdieren.
1.1 Een school vissen is beter beschermd tegen predatie dan een enkele vis: zie "shoaling" en "schooling". Een van de manieren waarop scholen vissen of groepen vogels predatoren kunnen dwarsbomen is het "predator confusion effect". Deze theorie is gebaseerd op het idee dat het voor roofdieren moeilijk wordt om individuen uit groepen te onderscheiden, omdat de bewegende doelen een zintuiglijke overbelasting van het visuele kanaal van de roofdieren veroorzaken.
1.2 Een tweede mogelijk roofvijandwerend effect van aggregaties van dieren is de "vele ogen"-hypothese. Naarmate de groep groter wordt, wordt de taak van het scannen van de omgeving op predatoren verdeeld over vele individuen. Dit geeft een hoger niveau van waakzaamheid, en laat meer tijd voor individuele voeding.
1.3 Een derde mogelijkheid is het "encounter dilution" effect. Hamilton stelde voor dat de aggregatie van dieren het gevolg was van een "egoïstische" vermijding van een roofdier, en een vorm van dekking zoeken was. Een andere formulering van de theorie was een combinatie van vermijding en verdunning. Er werd gesuggereerd dat potentiële prooien er voordeel bij zouden hebben om samen te leven, aangezien een roofdier minder kans heeft om een enkele groep te treffen dan een verspreide verspreiding. Wat aanvallen betreft, dacht men dat een roofdier minder geneigd is een bepaald dier op te eten wanneer er een groter aantal individuen aanwezig is. Kortom, een individu heeft een voordeel als het zich in de grootste van twee groepen bevindt (ervan uitgaande dat de kans op ontdekking en aanval niet onevenredig toeneemt met de grootte van de groep).
2. Beter foerageren: Een school vissen of een groep dieren is beter in foerageren.
3. Gemakkelijker bewegen: Groepen dieren die zich samen verplaatsen (zoals vissen of vogels) besparen energie. Veel van de grotere vogels vliegen in zwermen. Vliegen in zwermen helpt de benodigde energie te verminderen. Veel grote vogels vliegen in een V-formatie, waardoor individuen 12-20 % van de energie besparen die ze nodig zouden hebben als ze alleen zouden vliegen. Bij radarpluimvee is vastgesteld dat de Roodstaartkluut Calidris canutus en de Dunlins Calidris alpina in zwermen 5 km per uur sneller vliegen dan wanneer zij alleen vliegen.
4. Sociale interactie: Dit is te zien bij vissen, zoals haring. Als een dier van de groep wordt gescheiden, zal het zich gestrest voelen.
5. Speciale factoren spelen een rol bij trekvogels, of vogels die in grote groepen bijeenkomen, zoals spreeuwen. Het gedrag van vogels heeft een grotere leercomponent dan dat van vissen. Naast de hierboven genoemde factoren is het mogelijk dat trekvogels hun eerste jaars goed leren hoe ze de trek met succes kunnen volbrengen. De specifieke routes kunnen genetisch geprogrammeerd zijn of in verschillende mate aangeleerd. De routes die op de heen- en op de terugtrek worden gevolgd, zijn vaak verschillend.