Er zijn verschillende onderdelen in de architectuur van een kerk. Niet alle kerken zullen al deze onderdelen hebben:
- Het schip is het belangrijkste deel van de kerk waar de gemeente (de mensen die komen aanbidden) zit.
- De zijbeuken zijn de zijkanten van de kerk die eventueel langs de zijkant van het schip lopen.
- Het transept, als dat er is, is een ruimte die het schip kruist in de buurt van de top van de kerk. Hierdoor heeft de kerk de vorm van een kruis, dat symbool staat voor de kruisdood van Jezus.
- Het koor leidt naar het altaar bovenin de kerk. Het altaar staat in het heiligdom. Het woord "heiligdom" betekent "heilige plaats". In het heiligdom mochten mensen niet gearresteerd worden, zodat ze veilig waren. Het altaar staat meestal aan de oostkant van de kerk. De mensen in de kerk zitten met hun gezicht naar het altaar. Wij zeggen dat de kerk "naar het oosten gericht is".
- Kerken hebben ook een toren, meestal aan de westkant. Als de kerk een dwarsschip heeft, kan de toren boven het midden van het dwarsschip staan.
In rooms-katholieke kerken staat bij de ingang van de kerk altijd een stoup (kom) met wijwater. Deze traditie komt voort uit het feit dat Romeinse basilieken voor de ingang een fontein hadden om zich te wassen. De doopvont is een kom waarin mensen (vaak baby's) worden gedoopt. Deze staat ook bij de ingang van de kerk. Dit is een symbool van het feit dat het de mensen verwelkomt in de christelijke kerk.
Traditioneel heeft het schip lange banken waarop de gemeente kan zitten. Deze worden kerkbanken genoemd. In sommige kerken zijn de kerkbanken vervangen door stoelen, zodat ze kunnen worden verplaatst voor verschillende gelegenheden. Vooraan in het schip staat de preekstoel waar de priester preekt (deze toespraken worden "preken" genoemd). Er is ook een lessenaar (zoals een grote muziekstandaard) van waaruit de lessen (de Bijbellezingen) worden voorgelezen.
Als er zijbeuken langs het schip staan, zijn er pilaren die het dak omhoog houden. In grote kerken of kathedralen kan er een rij kleine bogen langs de bovenkant van deze pilaren staan. Dit wordt het triforium genoemd. Boven het triforium bevindt zich de lichtbeuk, een rij ramen hoog in de kerkmuur.
Het koor is het heiligste deel van de kerk, en daarom wordt het vaak van het schip gescheiden door een scherm, dat van hout of steen kan zijn, of soms van ijzer. De gemeente kan door het scherm heen kijken. Bovenop het scherm kan een kruis staan. Dit wordt een oksaal genoemd. Priesters beklommen vroeger een trap naar de top van het oksaal om het epistel en het evangelie te lezen. Soms werd er van daaruit gezongen.
In het koor staan de banken waarop het koor zit. Deze worden koorbanken genoemd. Ze staan aan beide zijden. De twee zijden van het koor zitten tegenover elkaar. De koorleden die links (noordzijde) zitten worden "cantoris" genoemd (de kant waar de "cantor" zit) en die rechts (zuidzijde) worden "decani" genoemd (de kant waar de diaken zit). In sommige grote kerken of kathedralen gaan de stoelen voor de priesters omhoog. De bovenkant van deze stoelen, wanneer ze omhoog gekanteld zijn, worden misericords genoemd (van het Latijnse woord voor "barmhartigheid"). De reden hiervoor is dat de priesters of monniken er tegenaan konden leunen als ze moe werden en lang moesten staan.
Soms zitten er gaten in de wanden van het scherm, zodat de gemeente er doorheen kan kijken. Deze worden kraakpanden genoemd. Als er een uitsparing in de muur zit, heet dat een aumbry. Het is een kast voor de communiewijn en het brood die door een priester zijn gewijd.
Het altaar kan aan de oostkant van de kerk staan, maar in grotere kerken of kathedralen staat het vaak veel verder naar voren. In dat geval wordt de oostkant een apsis genoemd. Soms is het een aparte kapel die de "Mariakapel" wordt genoemd.