Sluimering is een periode in de levenscyclus van een organisme waarin groei, ontwikkeling en (bij dieren) lichamelijke activiteit tijdelijk worden stopgezet. Hierdoor wordt de metabolische activiteit tot een minimum beperkt, zodat het organisme energie kan besparen. Sluimering is meestal nauw verbonden met milieuomstandigheden. Organismen kunnen het ingaan van een slapende fase synchroniseren met hun omgeving door middel van voorspellende of consequentiële middelen.

Voorspellende rustperiode treedt op wanneer een organisme een rustfase ingaat vóór het begin van ongunstige omstandigheden. Zo worden bijvoorbeeld de daglengte en de dalende temperatuur door veel planten gebruikt als triggers om de rustperiode te beginnen vóór het begin van de winter.

Gevolgslaap treedt op wanneer organismen een ruststadium ingaan nadat zich ongunstige omstandigheden hebben voorgedaan. Dit komt vaak voor in gebieden met een onvoorspelbaar klimaat. Plotselinge veranderingen in de omstandigheden kunnen leiden tot een hoog sterftecijfer bij dieren die op gevolgslaapstand vertrouwen. Anderzijds kan het gebruik ervan voordelig zijn, aangezien organismen langer actief blijven en meer gebruik kunnen maken van de beschikbare hulpbronnen.