Richard Milhous Nixon (9 januari 1913 - 22 april 1994) was een Amerikaans politicus. Hij was de 37e president van de Verenigde Staten, in functie van 1969 tot 1974, toen hij als enige president aftrad. Daarvoor was Nixon de 36e vicepresident (van 1953 tot 1961 onder president Dwight D. Eisenhower), en Amerikaans afgevaardigde en senator uit Californië. Hij was Republikein.

Nixon werd geboren in Yorba Linda, Californië. Hij bezocht de Duke University en studeerde in 1937 af aan de rechtenfaculteit. Na zijn afstuderen keerde hij terug naar Californië om zijn beroep als advocaat uit te oefenen. In 1942 verhuisden hij en zijn vrouw Pat naar Washington om voor de federale overheid te gaan werken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog diende hij in actieve dienst bij de marine-reserve.

Nixon begon zijn politieke carrière nadat hij in 1946 in het Huis van Afgevaardigden was gekozen. In die tijd werd hij bekend als anticommunist. In 1950 werd hij gekozen in de Senaat. In 1953 werd hij vicepresident van de Verenigde Staten, onder president Dwight D. Eisenhower. Hij vervulde deze functie acht jaar lang. In 1960 stelde Nixon zich kandidaat voor het presidentschap. Hij werd verslagen door John F. Kennedy. Twee jaar later, in 1962, stelde Nixon zich kandidaat als gouverneur van Californië. Ook deze verkiezing verloor hij van Pat Brown. In 1968 stelde hij zich voor de tweede keer kandidaat voor het presidentschap. Hij won de verkiezingen en versloeg Hubert Humphrey en George Wallace in een close verkiezing.

Als president zorgde Nixon ervoor dat de Verenigde Staten niet langer betrokken waren bij de oorlog in Vietnam. Hij beëindigde de militaire dienstplicht in 1973. In 1972 bezocht Nixon China. Dit bezoek zou uiteindelijk leiden tot diplomatieke betrekkingen tussen de twee naties. In hetzelfde jaar ondertekende hij het anti-ballistische raketverdrag met de Sovjet-Unie.

In eigen land legde Nixon gedurende 90 dagen loon- en prijscontroles op. Hij liet zuidelijke scholen desegregeren (een einde maken aan de scheiding van mensen op grond van hun ras). Hij richtte het Environmental Protection Agency (EPA) en de Occupational Safety and Health Administration (OSHA) op. Hij begon ook de oorlog tegen kanker. Hij zat de Apollo 11 maanlanding in 1969 voor. In 1972 werd Nixon in een aardverschuiving herkozen door George McGovern te verslaan.

In zijn tweede termijn gaf Nixon opdracht tot een luchtbrug om de Israëlische verliezen in de Jom Kippoer-oorlog, een oorlog die thuis tot een oliecrisis leidde, opnieuw te bevoorraden. In 1973 had hij veel politieke steun verloren door het Watergate-schandaal. Op 9 augustus 1974 trad Nixon af, als eerste Amerikaanse president. Zijn opvolger, Gerald Ford, verleende hem gratie.

Na zijn aftreden schreef Nixon vele boeken en bezocht hij vele andere landen. Hij stierf op 22 april 1994 na een beroerte. Hij staat niet hoog genoteerd in opiniepeilingen over presidentschap. Evaluaties van Nixon zijn moeilijk geweest, omdat hij als president goede dingen wist te bereiken, ook al trad hij af vanwege een schandaal.

Vroege leven en opkomst

Nixon werd geboren in een bescheiden gezin; zijn ouders waren Francis en Hannah Milhous Nixon. Hij groeide op in Zuid-Californië en doorliep de opleiding aan Whittier College voordat hij naar de rechtenstudie aan Duke University ging. Zijn dienst in de marine tijdens de Tweede Wereldoorlog (waar hij diende in de Pacific en opstapte als lieutenant commander in de Naval Reserve) versterkte zijn maatschappelijke positie. In de late jaren 1940 verwierf hij nationale bekendheid door zijn rol in de zaak tegen de voormalig overheidsfunctionaris Alger Hiss, wat hem het imago van hardnekkig anticommunist gaf.

Belangrijkste beleidslijnen als president

Nixon voerde verschillende binnen- en buitenlandse beleidsmaatregelen in die blijvende gevolgen hadden:

  • Vietnam en Vietnamization: Nixon voerde het beleid van "Vietnamization" in: het geleidelijk terugtrekken van Amerikaanse troepen en het overdragen van de strijd aan Zuid-Vietnamezen. Eind 1972/1973 leidde dit tot de Parijse Vredesakkoorden (januari 1973), waarna Amerikaanse gevechtstroepen grotendeels terugkeerden naar huis, hoewel de oorlog in Vietnam later voortduurde tot 1975.
  • China en détente: Zijn historische bezoek aan China in februari 1972 brak jarenlange isolatie tussen Washington en Peking en luidde een periode van triangular diplomacy in tussen de VS, China en de Sovjet-Unie. Tegelijkertijd zette Nixon in op détente met de Sovjet-Unie, wat leidde tot het SALT I-akkoord en het ABM-verdrag van 1972.
  • Economisch beleid: In 1971 voerde Nixon de zogenaamde "Nixon-shock" in: beëindiging van de directe convertibiliteit van de dollar in goud en tijdelijke loon- en prijscontroles (90 dagen) om inflatie te beteugelen.
  • Milieu en arbeidsveiligheid: Hij richtte de EPA op (1970) en zette maatregelen zoals de vernieuwde Clean Air Act in. De Occupational Safety and Health Administration (OSHA) kwam er eveneens onder zijn presidentschap.
  • Sociaal beleid: Nixon versnelde federale handhaving van schooldesegregatie in het zuiden, lanceerde het National Cancer Act (1971) als start van de "oorlog tegen kanker" en voerde beleid dat bekendstaat als "New Federalism", met meer verantwoordelijkheid voor staten via revenue sharing.

Watergate en aftreden

Het Watergate-schandaal begon met een inbraak in het hoofdkwartier van de Democratische Partij in het Watergate-complex op 17 juni 1972. Onderzoek toonde aan dat de inbrekers banden hadden met Nixon's herverkiezingscomité (CRP). De waarheid kwam langzaam boven door werk van journalisten en door juridische procedures, en werd uiteindelijk onontkoombaar toen het Congres ontdekte dat Nixon taperecordings van gesprekken in het Witte Huis had laten maken.

Kerndelen van het schandaal waren de poging tot doofpot (obstructie van de rechtsgang), het misbruik van macht en het belemmeren van gerechtelijk onderzoek. Een van de cruciale gebeurtenissen was de "Saturday Night Massacre" (20 oktober 1973), toen Nixon de speciaal aanklager Archibald Cox liet ontslaan — wat leidde tot het ontslag of het vertrek van hogere justitieambtenaren. Het Huis van Afgevaardigden begon een impeachment-proces; de House Judiciary Committee keurde in juli 1974 artikelen van beschuldiging goed. Toen duidelijk werd dat hij de steun in het Congres verloor, kondigde Nixon op 8 augustus 1974 zijn aftreden aan, dat de volgende dag inging.

Unieke uitkomst: zijn opvolger, Gerald Ford, verleende hem op 8 september 1974 een volledige en onvoorwaardelijke gratie voor alle misdaden die hij mogelijkerwijs had begaan tegen de Verenigde Staten tijdens zijn ambtstermijn. De gratie maakte juridische vervolging onmogelijk maar was politiek omstreden.

Nalatenschap en latere jaren

Nixon's nalatenschap is complex en dubbelzinnig: hij wordt zowel geprezen om zijn diplomatieke en bestuurlijke successen als bekritiseerd vanwege het misbruik van macht en de eroderende effecten van Watergate op het publieke vertrouwen in de regering. Hij was de enige Amerikaanse president die aftrad, wat zijn historische positie onveranderlijk markeerde.

Na zijn vertrek uit het Witte Huis werkte Nixon aan een publieke rehabilitatie als staatsman en schrijver. Hij publiceerde memoires en tal van werken over buitenlandse politiek, reisde veel en gaf advies aan daaropvolgende presidenten over internationale aangelegenheden. Hij stierf op 22 april 1994 na een beroerte en werd begraven bij zijn presidentiële bibliotheek in Yorba Linda.

Nixon wordt in historische ranglijsten vaak gemiddeld tot ondergemiddeld beoordeeld: zijn buitenlandse politiek (China, détente) en institutionele hervormingen worden positief gewaardeerd, terwijl Watergate zwaar meetelt in negatieve beoordelingen. Zijn presidentschap blijft een studie in tegenstellingen: grootse geopolitieke stappen naast ernstig constitutioneel falen.