In het Christendom waren de discipelen de leerlingen van Jezus tijdens zijn bediening, wat soms alleen de Twaalf Apostelen betekent, maar de evangeliën spreken over verschillende aantallen discipelen. In het Boek der Handelingen hebben de Apostelen zelf discipelen. Het woord discipel wordt vandaag de dag gebruikt als een manier om zichzelf te identificeren voor degenen die willen leren van het christendom.

De term discipel komt van het Oudgriekse woord "μαθἡτἡς". die naar het Engels komt door middel van het Latijnse discipulus. Discipel moet niet verward worden met apostel, wat betekent "boodschapper, hij die gezonden is". Terwijl een discipel iemand is die leert van een leraar, een leerling, wordt een apostel gestuurd om die leer aan anderen te geven.