Ammonieten begonnen hun leven als minuscule planktonachtige wezentjes met een diameter van minder dan 1 mm. In hun kinderjaren waren zij kwetsbaar voor aanvallen van andere roofdieren, waaronder mosasauriërs en vissen. Hun schelp gaf hun zachte delen echter enige bescherming. Over het bestaan van sexueel dimorfisme, met grotere wijfjes en kleinere mannetjes, is veel gediscussieerd. p244 De zaak is nog open, maar althans bij sommige soorten zijn afzettingen gevonden met twee maten en geen tussenvormen.
Naarmate de schaal groeide, werden de achterste compartimenten afgesloten met een semi-permeabel membraan. Een enkele buis, de siphunkel, liep door het midden van elk septum en verbond de compartimenten. Het dier kon gas toevoegen of onttrekken naar gelang het voor zijn drijfvermogen nodig had. Aan de binnenkant van de schelp zijn de compartimenten gemarkeerd door ingewikkelde hechtingen. Deze zijn goed te zien op die fossielen die inwendig gevormd zijn, zoals de meeste. p241 Ammonieten waren actieve roofdieren, en zelf werden zij vaak opgegeten door vissen en zeereptielen. De fossielen worden bijna altijd gevonden met het buitenste compartiment afgebroken, waarschijnlijk als gevolg van precies zo'n aanval.
Ammonieten zwommen met straalaandrijving, net als de meeste andere koppotigen. Water zou in de mantelholte zijn gekomen, over de kieuwen zijn gegaan, en er weer uit zijn gespoten. Nautilus heeft ook een ontsnappingsmechanisme, waarbij een samentrekking van de kieuwkamer ervoor zorgt dat het dier uit de buurt van een roofdier springt. p232 Het zou redelijk zijn te veronderstellen dat ammonieten een soortgelijk mechanisme hadden.