Graptolieten zijn algemeen voorkomende fossielen uit het Paleozoïcum. Het zijn koloniale dieren die vooral bekend zijn van het Boven-Cambrium tot het Onder-Carboon (Mississippien). Een mogelijke vroege graptoliet, Chaunograptus, is bekend uit het Midden-Cambrium.
De naam graptoliet komt van het Griekse graptos, dat "geschreven" betekent, en lithos, dat "rots" betekent. Veel fossielen van graptolieten lijken op hiërogliefen die op de rots zijn geschreven. Linnaeus beschouwde ze oorspronkelijk als "eerder op fossielen lijkende afbeeldingen dan als echte fossielen". Meer recent werk plaatst ze in de buurt van de pterobranchs, mogelijk binnen.
Graptoliet morfologie
Elke graptolietkolonie staat bekend als een rhabdosoom en heeft een variabel aantal vertakkingen (stipes genoemd) die afkomstig zijn van een eerste individu. Elke volgende zooide is gehuisvest in een buisvormige of bekerachtige structuur (een theca genoemd). In sommige kolonies zijn er twee maten theca's, en er wordt gesuggereerd dat dit verschil te wijten is aan sexueel dimorfisme. Het aantal vertakkingen en de schikking van de thecae zijn belangrijke kenmerken bij de identificatie van fossielen van graptolieten. Hun algemene vorm is vergeleken met die van een ijzerzaagblad.
De meeste boomachtige vormen worden geclassificeerd als dendroïde graptolieten (orde Dendroidea). Zij komen eerder in het fossielenbestand voor (in het Cambrium), en waren benthische dieren die met een wortelachtige basis aan de zeebodem vastzaten. Graptolieten met betrekkelijk weinig vertakkingen zijn afgeleid van de dendroïde graptolieten aan het begin van het Ordovicium. Dit laatste type (orde Graptoloidea) was pelagisch, vrij drijvend op het oppervlak van oude zeeën of vastgehecht aan drijvend zeewier door middel van een slanke draad. Zij waren een succesvolle en productieve groep en vormden de belangrijkste dierlijke leden van het plankton tot zij in het begin van het Devoon uitstierven. De dendroïde graptolieten overleefden tot in het Carboon.