De Mesozoïsche mariene revolutie was de grote toename van roofdieren op de zeebodem die schelpdieren aten. De term werd gebruikt door Vermeij, een paleontoloog die jarenlang onderzoek deed naar veranderingen in ongewervelde dieren op de zeebodem.

Er was een opmerkelijke verandering in het leven op de zeebodem tussen de Palaeozoïsche fauna en de moderne fauna. Deze verandering vond plaats tijdens het Mesozoïcum. In het Mesozoïcum ontwikkelden roofdieren op de zeebodem verschillende nieuwe vormen die zich voedden met de overvloedige schelpdieren (brachiopoden en tweekleppigen). Deze roofdieren zijn vandaag de dag nog steeds in overvloed aanwezig: het zijn vooral de zeesterren, de buikpotigen en de krabben.

Elk roofdier heeft zijn eigen methoden. Krabben breken de schelpen met geweld. Verschillende soorten buikpotigen ontwikkelden het vermogen om in schelpen te komen. De Muricidae boren zich door de schelpen heen en eten hun prooi op. Sommige buikpotigen maken gaten in de schelp en stoppen er een verlammende of ontspannende stof in, andere werken aan kleine scheurtjes in de rand van de schelp. Als ze hun slurf binnenkrijgen, eten ze de schelpdieren op. Verrassend genoeg kunnen sommige sponzen zich ook in schelpen boren. Tijdens het Mesozoïcum waren er ook een aantal gewervelde schelpdierroofdieren: de placodonts, en sommige ichthyosaurussen en mosasaurussen hadden platte schelpentanden.