Gastropoda, of buikpotigen, zijn de grootste en meest succesvolle klasse van weekdieren. 60.000–75.000 bekende levende soorten behoren daartoe. De meeste zijn marien, maar vele leven in zoet water of op het land. Hun fossielenbestand gaat terug tot het late Cambrium, en sindsdien hebben ze een grote morfologische en ecologische diversiteit ontwikkeld.

Slakken, abalones, limpets, kauri's, conches, topschelpen, wulken en zeeslakken zijn allemaal gastropoden. De buikpotigen zijn van oorsprong zeebodemroofdieren, hoewel ze ook in veel andere habitats zijn geëvolueerd. Veel van de tegenwoordig levende lijnen zijn geëvolueerd in het Mesozoïcum, waarbij ze profiteerden van het enorme aanbod aan voedsel op de zeebodem.

Anatomie en belangrijkste kenmerken

Gastropoden hebben een typisch asynchroon lichaamsplan met een brede, gespierde voet waarmee ze kruipen, en vaak een schelp die één winding heeft (bij veel soorten). Een kenmerkend proces in de ontwikkeling is torsie, een draaiing van het lichaam die de inwendige organen en mantelholte verplaatst. De meeste hebben een raspachtig orgaan, de radula, waarmee ze voedsel schrapen, snijden of vastgrijpen. De mantelholte bevat meestal kieuwen bij mariene soorten of een long bij veel landelingen (pulmonata). Sommige groepen, zoals naaktslakken, hebben de schelp geheel verloren.

Voeding en ecologische rollen

Gastropoden vervullen uiteenlopende ecologische functies: er zijn herbivoren die algen en plantaardig materiaal schrapen, detritivoren, filtervoeders en talrijke predatoren en aaseters. Veel mariene soorten zijn actieve jagers, terwijl veel landslakken invloed hebben op vegetatie en bodemprocessen. Door hun diversiteit aan voedingstypen spelen ze een belangrijke rol in voedselwebben in zee, zoet water en op het land.

Voortplanting en ontwikkeling

Voortplantingsstrategieën zijn zeer gevarieerd. Sommige gastropoden zijn gescheiden geslachten, andere zijn tweeslachtig (hermafrodiet). Veel mariene soorten hebben een complex ontwikkelingspatroon met vrijzwemmende larvale stadia (trochophore en veliger), wat zorgt voor verspreiding over grote afstanden. Land- en zoetwaterslakken hebben vaak directe ontwikkeling of kortdurende larvale stadia en gebruiken soms ingewikkelde paringsgedragingen.

Evolutie en fossielbewijsmateriaal

De groep heeft een lang fossielenbestand en vertoont belangrijke evolutionaire radiaties, vooral tijdens het Mesozoïcum. Morfologische aanpassingen zoals variaties in schelpvorm, verlies van de schelp en specialisaties van de radula maakten exploitatie van nieuwe niches mogelijk. Fossielen helpen bij het reconstrueren van deze radiaties en de milieuveranderingen die daartoe leidden.

Betekenis voor de mens en behoud

Veel gastropoden zijn economisch en cultureel belangrijk: sommige worden gegeten (bijv. escargots, abalones), hun schelpen worden gebruikt als siermateriaal, terwijl andere soorten landbouwgewassen kunnen beschadigen of parasieten overdragen. Habitatverlies, vervuiling, overbevissing (bij consumptiesoorten) en klimaatverandering vormen bedreigingen voor veel soorten. Beschermingsmaatregelen richten zich op habitatbehoud, duurzame oogst en onderzoek naar de ecologie van bedreigde lijnen.

Samenvattend: Gastropoda vormen een extreem diverse groep weekdieren met uiteenlopende levenswijzen, doorlopend aanwezig in vrijwel alle mariene, zoetwater- en terrestrische ecosystemen. Hun kenmerken—zoals de radula, voet en het resultaat van torsie—maken hen herkenbaar en verklaren hun succes in tal van habitats.